ECLI:NL:RBDHA:2025:26600

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
C/09/695515 / KG ZA 25-1185
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot nakoming en schorsing van omgangsregeling tussen ouders van minderjarige

In deze zaak, behandeld op 10 december 2025, vordert de vader de nakoming van de omgangsregeling met zijn minderjarige dochter, terwijl de moeder verzoekt om schorsing van deze regeling. De ouders hebben een complexe relatie en zijn betrokken bij een kort geding dat zich richt op de omgangsregeling van hun dochter, geboren in 2017. De vader heeft de omgangsregeling erkend, maar de moeder heeft deze recentelijk stopgezet, wat leidt tot een conflict over de veiligheid en het welzijn van de minderjarige. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de omgangsregeling, zoals eerder bepaald in een beschikking van 1 februari 2024, moet worden nagekomen, tenzij er nieuwe feiten zijn die dit in het belang van de minderjarige in twijfel trekken. De voorzieningenrechter concludeert dat er onvoldoende bewijs is dat de omgangsregeling onveilig is en wijst de vordering van de vader toe, onder afwijzing van de vordering van de moeder. Tevens wordt een dwangsom opgelegd aan de moeder voor het geval zij de regeling niet naleeft. De beslissing is genomen met het oog op het belang van de minderjarige, waarbij de rechter de verbeterde situatie van het kind in overweging heeft genomen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Familie - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/695515 / KG ZA 25-1185
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding op de zitting van10 december 2025
in de zaak van:
[de vader]in [woonplaats 1] ,
eiser in conventie, gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. S.A.S. Matheij in Haarlem,
tegen:
[de moeder]in [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
advocaat: mr. D.Z. Peters in Rijswijk.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’ en samen als ‘de ouders’.
Aanwezig is mr. M.F. Baaij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer, griffier.
Tevens zijn aanwezig:
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Nadat de ouders hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de andere ouder en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1.De gronden van de beslissing

in conventie en reconventie

1.1.
De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] . De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder is van rechtswege alleen met het gezag over [de minderjarige] belast. [de minderjarige] woont bij de moeder.
1.2.
Bij beschikking van 23 juni 2021 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – zijn de ouders verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan de hulpverleningstrajecten Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding en is iedere verdere beslissing over de omgangsregeling pro forma aangehouden.
1.3.
Bij mondelinge beslissing van 23 augustus 2022 heeft de kinderrechter van deze rechtbank [de minderjarige] van 23 augustus 2022 tot 23 augustus 2023 onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 23 augustus 2025. De ondertoezichtstelling is daarna beëindigd. Uit de stukken blijkt dat de ondertoezichtstelling verband hield met de omgangsproblematiek tussen de ouders en met gedragsproblematiek van [de minderjarige] .
1.4.
Bij beschikking van 14 september 2022 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is bepaald dat de omgang tussen de vader en [de minderjarige] zal plaatsvinden onder regie en opbouw van de jeugdbeschermer, met dien verstande dat de vader voor de duur van twee maanden na heden voordien een blaastest zal ondergaan bij het Wilmahuis en als de vader negatief test op gebruik van alcohol vindt aansluitend onbegeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige] plaats en als de vader positief test op gebruik van alcohol zal die week geen omgang tussen de vader en [de minderjarige] plaatsvinden en is iedere verdere beslissing over de omgangsregeling pro forma aangehouden.
1.5.
Bij beschikking van 1 februari 2024 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is bepaald dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn: om het weekend van vrijdag tot zondag, waarbij de vader [de minderjarige] op vrijdag uit school haalt en op zondag tussen 16.00 uur en 17.00 uur aan de moeder overdraagt op het station in [plaats] , waarbij de vader de moeder op zondag vóór 12.00 uur per e-mail bericht welke trein hij neemt (met aankomsttijd in [plaats] tussen 16.00 uur en 17.00 uur) en de moeder dat haar e-mail elke betreffende zondag na 12.00 uur
controleert en op de in het e-mailbericht medegedeelde tijd op het station in [plaats] staat.
1.6.
De ouders hebben op 17 november 2025 het borgingsplan van de voormalig jeugdbeschermer ontvangen. Uit dat borgingsplan blijkt dat de omgang redelijke verloopt, ook na een incident kort na het afsluiten van de ondertoezichtstelling, en dat het gezin is aangemeld bij het Jeugdteam [plaats] . Op 27 november 2025 heeft de moeder aan de vader per e-mail aangegeven dat [de minderjarige] niet naar de vader toe wil en dat zij [de minderjarige] thuis zal houden. De moeder heeft opnieuw meldingen gedaan bij Veilig Thuis.
1.7.
Tussen de ouders is in geschil of de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] , zoals is bepaald in de beschikking van 1 februari 2024 van deze rechtbank onder zaak- en rekestnummer C/09/595310 en FA RK 20-4165, moet worden nagekomen of moet worden geschorst voor de duur van zes maanden.
1.8.
De vader vordert in conventie, uitvoerbaar bij voorraad, de moeder te veroordelen tot nakoming van de omgangsregeling op straffe van een dwangsom van € 250,- per keer dat de moeder de omgangsregeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-. De moeder heeft daartegen verweer gevoerd.
1.9.
De moeder vordert in reconventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de omgangsregeling en de vakantieregeling te schorsen voor de duur van zes maanden en de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere ouder de eigen kosten draagt. De vader heeft daartegen verweer gevoerd.
1.10.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beslissing over de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] een voorlopige ordemaatregel betreft. Deze maatregel geldt zolang er geen andere beslissing in een (bodem)procedure wordt genomen. Op dit moment loopt er geen andere procedure tussen de ouders.
1.11.
Als uitgangspunt geldt dat de door de rechtbank bij vonnis van 1 februari 2024 vastgestelde omgangsregeling moet worden nagekomen, tenzij zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat die omgangsregeling niet (meer) in het belang van [de minderjarige] moet worden geacht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van zulke feiten of omstandigheden niet gebleken. De door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] is gedurende de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] steeds nagekomen. De ondertoezichtstelling is in augustus 2025 beëindigd en Stichting Jeugdbescherming west heeft de casus overgedragen aan het Jeugdteam. Tien dagen nadat het borgingsplan van de voormalig jeugdbeschermer is ontvangen, heeft de moeder de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] eenzijdig stopgezet en heeft zij opnieuw meldingen gedaan bij Veilig Thuis. De moeder heeft aangegeven dat zij de omgang heeft stopgezet, omdat de veiligheid van [de minderjarige] bij de vader in het geding is. Tussen de ouders heeft bij de overdracht van [de minderjarige] op 19 oktober 2025 een incident plaatsgevonden en de moeder heeft na een omgangsmoment met de vader in november 2025 letsel geconstateerd bij [de minderjarige] , waarover [de minderjarige] aan de moeder heeft aangegeven dat dit door de vader is toegebracht. Dat er een incident tussen de ouders heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2025 staat vast, maarde ouders verschillen van mening over wat er is gebeurd en wie de agressor was. De vader heeft gemotiveerd betwist dat hij letsel heeft veroorzaakt bij [de minderjarige] .
1.12.
De voorzieningenrechter constateert een patroon bij de ouders waarin zij elkaar over en weer blijven beschuldigen. Vrijwel direct na het afsluiten van de ondertoezichtstelling heeft de moeder de vader opnieuw beschuldigd van alcoholmisbruik en kindermishandeling, net als voor de ondertoezichtstelling steeds het geval was. Veilig Thuis heeft kennelijk geen aanleiding gezien direct een onderzoek naar het letsel te starten. In deze kort geding-procedure is geen ruimte voor een nader feitenonderzoek, wat maakt dat de voorzieningenrechter zich voor een dilemma gesteld ziet. Wat is in het belang van [de minderjarige] , die overduidelijk – zo bleek ook uit het gesprek van [de minderjarige] met de voorzieningenrechter – klem zit tussen de ouders: nakoming van de omgangsregeling of schorsing van de omgangsregeling? De Raad kon daarover desgevraagd geen concreet advies geven op de zitting, maar maakt zich net als de voorzieningenrechter grote zorgen om [de minderjarige] . De voorzieningenrechter overweegt dat de vader de beschuldigingen van de moeder gemotiveerd heeft betwist. De moeder heeft ter onderbouwing van haar stelling dat [de minderjarige] is mishandeld door de vader drie foto’s overgelegd. Op deze foto’s zijn twee schrammen op een buik en een verkleurde pols zichtbaar. De voorzieningenrechter kan echter niet vaststellen wanneer deze foto’s zijn gemaakt, wat de precieze aard van dit letsel is en of dit letsel door de vader is veroorzaakt. De voorzieningenrechter vindt dit dan ook onvoldoende om aan te nemen dat de vastgestelde omgangsregeling onveilig is en is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat de omgangsregeling tussen de vader en haar direct wordt hervat, omdat contact met de vader belangrijk is voor haar ontwikkeling. De voorzieningenrechter neemt daarbij mee in haar overwegingen mee dat uit het verslag van de school, dat door de moeder is overgelegd blijkt dat het gedrag van [de minderjarige] in de afgelopen tijd aanzienlijk is verbeterd en dat er dus wat dat betreft geen aanwijzingen zijn dat [de minderjarige] het bij de vader niet goed heeft. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de vordering van de vader zal toewijzen, onder afwijzing van de vordering van de moeder. De daarbij door de vader gevorderde dwangsom zal de voorzieningenrechter, als stimulans voor de moeder om de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] na te komen, gelet op de houding van de moeder ook toewijzen.
1.13.
De voorzieningenrechter heeft [de minderjarige] bij brief van 11 december 2025 geïnformeerd over deze beslissing. Deze brief luidt als volgt:

Beste [de minderjarige] ,
Ik vond het fijn dat je van de week bij mij kwam praten op de rechtbank. We hebben het gehad over de weekenden bij je vader. Je vertelde mij dat je het bij hem niet zo fijn vindt. Daarover heb ik de dag daarna ook met je vader en je moeder gepraat. Daarna heb ik beslist dat de weekenden bij je vader weer gewoon doorgaan. Ik snap dat dat voor jou best moeilijk is, omdat je vader en je moeder elkaar niet meer aardig vinden en ruzie maken met elkaar. Ik heb beslist dat je naar je vader blijft gaan, omdat hij net als je moeder belangrijk voor je is. Ik hoop dat jullie het samen fijn hebben. Je vader heeft gezegd dat hij daar zijn best voor zal blijven doen en dat hij altijd blij is als jij er bent.”
1.14.
Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

2.De beslissing

in conventie en reconventie
De voorzieningenrechter:
2.1.
veroordeelt de moeder tot nakoming van de in de beschikking van 1 februari 2024, onder zaak- en rekestnummer C//09/595310 en FA RK 20-4165, vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] ;
2.2.
veroordeelt de moeder tot betaling van een dwangsom van € 250,- per keer dat de moeder de omgangsregeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-;
2.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
2.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
2.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
mr. S. Sluijmer mr. M.F. Baaij