ECLI:NL:RBDHA:2025:26599
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde woning vastgesteld op €1.115.000
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €1.115.000 per 1 januari 2024. Hij stelde dat de waarde te hoog was en pleitte voor een waarde van €750.000. De rechtbank heeft het bezwaar inhoudelijk onderzocht.
De rechtbank overwoog dat de waarde is bepaald volgens artikel 17 van Pro de Wet WOZ, waarbij systematische vergelijking met marktgegevens van vergelijkbare woningen is toegepast. Belanghebbende voerde aan dat de beoordeling van KOUDV-factoren niet inzichtelijk was en dat de ligging van vergelijkingsobjecten onvoldoende werd meegewogen. Ook stelde hij dat een door hem aangedragen vergelijkingsobject niet werd erkend als vergelijkbaar.
De rechtbank vond de waardering van de KOUDV-factoren en de gehanteerde vergelijkingsobjecten voldoende onderbouwd. De door belanghebbende aangedragen woning was niet vergelijkbaar vanwege ligging in een andere gemeente en een te ver verwijderde verkoopdatum. De heffingsambtenaar had bovendien de gebruiksoppervlakte gemotiveerd betwist en de indexering van verkoopcijfers toegelicht.
De rechtbank concludeerde dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog was en dat het beroep ongegrond is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd, maar het betaalde griffierecht van €53 werd aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.115.000 wordt ongegrond verklaard.