De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader om een zorgregeling vast te stellen voor zijn minderjarige kinderen, geboren in 2019 en 2022. Eerder was bepaald dat de kinderen voorlopig aan de moeder werden toevertrouwd en dat de vader beperkt videobelcontact mocht hebben. De Raad voor de Kinderbescherming voerde een onderzoek uit en bracht advies uit.
De rechtbank handhaafde de voorlopige regeling en overwoog dat vanwege ernstige zorgen over de veiligheid van moeder en kinderen, veroorzaakt door het onvoorspelbare, dreigende en agressieve gedrag van de vader, een fysieke zorgregeling niet in het belang van de kinderen is. De vader vertoont psychische problemen en middelengebruik, weigert hulp te accepteren en is momenteel spoorloos.
De videobelcontacten verliepen slecht, met woede-uitbarstingen en bedreigingen richting de moeder. De rechtbank benadrukte dat contact met de vader veilig, voorspelbaar en prettig moet zijn voor de kinderen. Gezien de omstandigheden acht zij het niet passend om nu een zorgregeling vast te stellen, wat duidelijkheid en voorspelbaarheid voor de kinderen biedt. De rechtbank sluit niet uit dat dit in de toekomst kan veranderen als de vader hulp accepteert.