ECLI:NL:RBDHA:2025:26502

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
NL25.54864
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van asielaanvraag en interstatelijk vertrouwensbeginsel in het bestuursrecht

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 19 december 2025, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd beoordeeld. Eiser, van Iraanse nationaliteit, heeft zijn aanvraag ingediend, maar deze is door de minister van Asiel en Migratie afgewezen op grond van de Dublinverordening, waarbij Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag. De rechtbank heeft vastgesteld dat partijen toestemming hebben gegeven om het beroep zonder zitting af te doen.

De rechtbank heeft de argumenten van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag beoordeeld. Eiser heeft aangevoerd dat hij in Duitsland niet kan rekenen op een eerlijke behandeling en dat hij daar risico loopt op refoulement naar Iran. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat eiser niet voldoende bewijs heeft geleverd om aan te tonen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet zal nakomen. De rechtbank heeft het interstatelijk vertrouwensbeginsel toegepast, wat inhoudt dat men ervan uitgaat dat andere lidstaten hun verplichtingen nakomen, tenzij het tegendeel overtuigend kan worden aangetoond.

Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard, wat betekent dat de beslissing om de aanvraag niet in behandeling te nemen in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen hebben de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

uitspraak buiten zitting

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.54864
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. N. van Bremen),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R. Koning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1969. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Partijen hebben toestemming gegeven om het beroep zonder zitting af te doen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 22 september 2025 een verzoek om overname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 23 september 2025 aanvaard. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de stelling
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
van eiser in zijn e-mail van 6 december 2025 aan zijn gemachtigde dat Finland verantwoordelijk zou zijn.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser voert aan dat ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zijn asielaanvraag aldaar is afgewezen, waardoor uitzetting naar Iran en indirect refoulement dreigt. Eiser voert verder aan dat hij in Duitsland onvoldoende toegang heeft tot rechtsbijstand in de asielprocedure.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 25 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:292, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902, en 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588,
geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit kan eiser doen met landeninformatie en/of aan de hand van verklaringen over zijn eigen ervaringen. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo).
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. Eiser heeft geen objectieve landeninformatie over de asielprocedure of opvangvoorzieningen in Duitsland verstrekt. Eiser heeft met zijn verklaringen over wat hij persoonlijk heeft meegemaakt in Duitsland niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij vandalisme en geweld -waarbij hij letsel heeft opgelopen- heeft meegemaakt in Duitsland vanwege zijn religieuze overtuigingen, maar heeft dit verder niet onderbouwd met (medische) documenten. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij als gevolg van deze gebeurtenissen nog steeds problemen ondervindt. Indien eiser na zijn overdracht vindt dat de Duitse autoriteiten hun verplichtingen niet nakomen, ligt het op zijn weg om daarover in Duitsland te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen in Duitsland voor Dublinclaimanten in het algemeen of voor hem specifiek niet kan of zinloos is.
5.3.
Eiser heeft verder niet met stukken onderbouwd dat hij heeft geprobeerd rechtsbijstand te krijgen en dat hem dat is geweigerd. Bovendien is er een ondergrens vastgelegd in de Procedurerichtlijn, waaruit volgt dat er voorwaarden mogen worden gesteld aan het verlenen van gratis rechtsbijstand. De omstandigheid dat pas in een rechterlijke procedure wordt bepaald of aanspraak kan worden gemaakt op gratis rechtsbijstand,
betekent niet dat niet langer kan worden gesproken van een effectief rechtsmiddel. Voor zover eiser stelt dat hij ten onrechte geen gratis rechtsbijstand heeft gekregen, moet hij dit aanvoeren en moet dit worden beoordeeld in Duitsland. Dat dit niet mogelijk zou zijn, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Vergelijk bijvoorbeeld de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025.
5.4.
Omdat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, komt de rechtbank niet meer toe aan een beoordeling van de beroepsgrond over indirect refoulement.
5.5.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.