ECLI:NL:RBDHA:2025:26500

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
NL25.17761
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Gambiaanse homoseksuele man wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de geclaimde vervolging

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een asielprocedure van een Gambiaanse man die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had aangevraagd. De aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie afgewezen, omdat de man niet aannemelijk kon maken dat hij bij terugkeer naar Gambia te vrezen had voor vervolging vanwege zijn homoseksualiteit. De eiser, geboren in 1997, heeft verklaard dat hij vanaf jonge leeftijd weet dat hij homoseksueel is en dat hij in Gambia is mishandeld door leden van zijn gemeenschap. Hij heeft zijn asielaanvraag onderbouwd met verschillende documenten, waaronder foto's en een aanbevelingsbrief van een LHBTI-organisatie. Tijdens de zitting op 15 oktober 2025 heeft de rechtbank de zaak behandeld, waarbij de eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals een tolk. De rechtbank oordeelde dat de minister de identiteit en nationaliteit van de eiser geloofwaardig achtte, maar de homoseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet. De rechtbank concludeerde dat de minister niet ten onrechte had geoordeeld dat de eiser niet in aanmerking kwam voor een asielvergunning, omdat er onvoldoende bewijs was dat hij bij terugkeer naar Gambia een reëel risico op vervolging liep. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het bestreden besluit bleef in stand. De eiser kreeg geen vergoeding van zijn proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17761

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.S. Frickus),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H. Metselaar).

Procesverloop

1. Bij besluit van 14 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D.A. Ochieng als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
2.1.
Eiser heeft de Gambiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1997. Hij heeft op 25 maart 2023 een asielaanvraag ingediend.
2.2.
Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij weet vanaf een jonge leeftijd dat hij homoseksueel is. Hij moest dit altijd verborgen houden, omdat het in Gambia niet is toegestaan. Hij is door mensen uit zijn gemeenschap betrapt tijdens het verrichten van seksuele handelingen met zijn partner [persoon A] . Hij is toen door deze mensen en anderen uit de gemeenschap mishandeld. De politie is ertussen gekomen en eiser werd meegenomen. Tijdens dit vervoer is hij ontsnapt en direct gevlucht uit Gambia. Bij terugkeer vreest eiser dat hij door de autoriteiten wordt bestraft voor zijn homoseksualiteit. Daarnaast vreest hij dat de gemeenschap hem zal vermoorden. Eiser heeft verder verklaard dat hij tot de Jula bevolkingsgroep behoort en dat zij worden gediscrimineerd.
2.3.
Ter onderbouwing van zijn verklaringen heeft eiser de volgende stukken overgelegd:
- Foto’s van zijn partner;
- Foto van zichzelf tijdens de pride in Amsterdam;
- Aanbevelingsbrief van COC Amsterdam;
- Bewijs van deelname aan de cursus Nederlandse taal;
- Certificaat van deelname aan #Meedoen.
2.4.
Kort voor de behandeling van het beroep op zitting heeft eiser een rapport van 15 oktober 2025 van de heer [persoon B] van LGBT Asylum Support overgelegd.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- discriminatie vanwege eisers Jula etniciteit;
- de homoseksuele geaardheid van eiser en de daaruit voortvloeiende problemen.
3.1.
Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder heeft de geloofwaardigheid van het asielmotief ‘discriminatie vanwege eisers Jula etniciteit’ niet beoordeeld. De homoseksuele geaardheid van eiser en de daaruit voortvloeiende problemen acht verweerder niet geloofwaardig.
3.2.
Eiser komt niet in aanmerking voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht het niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Gambia te vrezen heeft voor vervolging. Dat hij uit Gambia komt is daarvoor onvoldoende. Er is verder niet gebleken dat eiser vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Verder is ook niet gebleken dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.
Beoordeling van de gronden van beroep
Referentiekader
4. Eiser voert – onder verwijzing naar het rapport van de heer [persoon B] – aan dat verweerder in het voornemen en het bestreden besluit geen referentiekader heeft opgesteld. Verweerder heeft alleen de persoonlijke achtergrond van eiser in het voornemen opgenomen. Het is voor een bestuursrechter niet inzichtelijk vanuit welk referentiekader een verwachtingspatroon door verweerder wordt gehanteerd. Eisers culturele achtergrond wordt niet specifiek benoemd (dus lichaamstaal, gedrag, beleving van tijd, benoeming van familieleden, leeftijd, begrip van het individu, opvattingen over hiërarchie en gender en culturele aspecten die met een bepaalde religie samenhangen).
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de besluitvorming voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Verweerder heeft met de omschrijving van de persoonlijke achtergrond van eiser in het voornemen uiteengezet wat het referentiekader van eiser is. Hij is een 28-jarige man, afkomstig uit Gambia en behoort tot de Jula stam. Hij praktiseert de islam. Eiser heeft verklaard dat hij homoseksueel is. Hij heeft zes jaar basisonderwijs gevolgd, heeft werkervaring opgedaan op het land en heeft producten verkocht op de markt. Ook heeft eiser klussen gedaan in de bouw. Hij stelt langere tijd een relatie te hebben gehad en is in Nederland actief bij een LHBTI-organisatie. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat van eiser verwacht wordt dat hij zijn eigen, authentieke verhaal kan vertellen en dit in een chronologische volgorde kan doen. Er zijn geen indicaties waaruit blijkt dat dit niet van eiser verwacht kan worden. Met de enkele stelling van eiser dat verweerder alleen eisers persoonlijke achtergrond heeft omschreven, heeft eiser onvoldoende onderbouwd met welke aspecten verweerder meer rekening had moeten houden en waartoe dat zou leiden.
Ook uit het rapport van het nader gehoor blijkt dat verweerder rekening heeft gehouden met eisers achtergrond en referentiekader. De hoormedewerker heeft bepaalde vragen meerdere keren of op verschillende manieren aan eiser gesteld juist om hem de mogelijkheid te geven goed te verklaren. De beroepsgrond slaagt niet.
Seksuele geaardheid
5. Eiser voert aan dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. Hij heeft niet wisselend verklaard over zijn eerste gevoel van aantrekkingskracht tot mannen. De vragen waar verweerder naar verwijst waren verschillende vragen. Verweerder heeft miskend dat het thema over eisers privéleven conform Werkinstructie 2019/17 is uitgewerkt en door eiser volledig is beantwoord. Hij heeft verklaard dat [persoon A] zijn partner is. Eiser heeft verder geen oppervlakkige kijk gegeven op het conflict dat hij ervaarde tussen zijn geloof en geaardheid. Hij heeft niet willen verklaren dat hij zijn geloof met zijn seksuele geaardheid wenste te verenigen. Dit heeft verweerder ten onrechte zo opgevat. Eiser heeft met zijn verklaringen duidelijk bedoeld dat de islam eeuwenoud is, hij daar niets aan kan veranderen en dat dit geloof hetzelfde zal blijven, inhoudende dat zij homoseksualiteit niet zullen accepteren. Eiser heeft ook verklaard dat hij zijn gevoelens als homoseksueel persoon niet kan veranderen. Hiermee heeft eiser aan willen duiden dat deze twee entiteiten los van elkaar bestaan. Zij vormen zijn identiteit. Eiser wijst er verder op dat hij heeft verklaard dat hij het incident bij [persoon A] niet nogmaals wilde bespreken omdat hij zich mentaal niet stabiel voelde. Verweerder heeft er geen rekening mee gehouden dat men in andere landen, anders dan in Nederland, tijdens gesprekken er graag omheen draait. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat eiser tijdens het politieverhoor van 25 maart 2023 anders heeft verklaard dan tijdens het nader gehoor van 2 april 2025 omtrent de betrapping, stelt eiser dat verweerder geen rekening heeft gehouden met zijn medische situatie en achtergrond conform WI 2019/17. Door het verstrijken van twee jaar kan het zijn dat eiser door zijn medische achtergrond een gefragmenteerd geheugen en valse of verkeerde herinneringen heeft. Hij verwijst in dat kader ook naar medische onderzoeken en publicaties waaruit blijkt dat het mogelijk is dat verschillend verklaard kan worden over traumatische gebeurtenissen en dat herinneringen gaandeweg ingevuld worden of verkeerde herinneringen verbeterd worden. Deze symptomen komen overeen met de situatie van eiser. Hier is door verweerder geen onderzoek naar gedaan. Door geen rekening te houden met de traumatische ervaring van de betrapping en het feit dat eiser valse herinneringen zou kunnen hebben hierover, heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld en in strijd met WI 2019/17, aldus eiser.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn gestelde homoseksuele geaardheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder stelt zich daarbij terecht op het standpunt dat eiser wisselend en oppervlakkig heeft verklaard over zijn eerste gevoel van aantrekkingskracht tot mannen. Dat eiser op de vraag “Wanneer merkte u voor het eerst dat u interesse had in iemand van hetzelfde geslacht?” heeft geantwoord dat de gevoelens van aantrekkingskracht begonnen met het verstoppertje spelen, toen [persoon A] bij hem op schoot zat, is een andere verklaring dan dat de gevoelens zijn begonnen bij het douchen en buiten spelen met andere jongens.
Dat eiser de zinsnede “interesse (…) in iemand van hetzelfde geslacht” anders heeft begrepen dan verweerder heeft bedoeld, maakt dat de conclusie van verweerder niet anders. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser summier, oppervlakkig en soms ook wisselende verklaringen heeft gegeven op (andere) vragen die door verweerder zijn gesteld (zie hierna onder 5.2. tot en met 5.5.). Ook heeft eiser geen inzicht gegeven in de gedachten en gevoelens die hij had toen hij besefte dat hij zich aangetrokken voelde tot jongens. De verklaring van eiser dat het goed voelde en dat hij het nou eenmaal in zich had, heeft verweerder onvoldoende mogen achten.
5.2.
Verweerder stelt zich verder niet ten onrechte op het standpunt dat eiser summier heeft verklaard over zijn relatie met [persoon A] . Eiser heeft over de relatie verklaard dat het is ontstaan tijdens het verstoppertje spelen
.Hij heeft geen inzicht gegeven in de wijze waarop hun vriendschap is ontwikkeld tot een liefdesrelatie hoewel hij daar door de gehoormedewerker op verschillende manieren naar is gevraagd. Verweerder stelt zich daarbij niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiser dat de relatie leuk, liefdevol en romantisch was en dat eiser zich goed voelde bij [persoon A] , summier en oppervlakkig zijn. Ook de verklaringen over de eigenschappen van [persoon A] heeft verweerder algemeen mogen achten (dat hij langer is dan eiser, een lichte huid heeft, betrouwbaar is, goed geheimen kan bewaren en een kort lontje heeft).
5.3.
Op de vraag hoe eiser zich voelde over het feit dat hij zijn geaardheid verborgen moest houden in Gambia, heeft hij verklaard dat hij zich schaamde en zich verdrietig voelde. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser geen authentieke verklaringen heeft gegeven waaruit blijkt hoe hij deze gevoelens heeft ervaren, hoe hij hiermee is omgegaan of door concrete voorbeelden te geven. Eiser heeft zijn (gestelde) seksuele geaardheid zijn hele leven verborgen moeten houden. Van hem mag daarom worden verwacht dat hij (meer) inzicht kan geven in zijn gedachten en gevoelens hierover. Verweerder werpt verder niet ten onrechte aan eiser tegen dat hij enerzijds heeft verklaard dat hij bang en onveilig was in Gambia en niets kon laten zien in het openbaar, maar anderzijds dat hij wel in het openbaar, in het bijzijn van zijn vriendengroep, hand in hand liep met [persoon A] . Daarbij komt dat eiser niet heeft toegelicht waarom hij en [persoon A] toch hand in hand bleven lopen nadat hun vrienden verdenkingen hadden over hun relatie en daarvan aangifte hadden gedaan. Eiser heeft immers juist verklaard dat hij over zijn seksuele geaardheid niets in het openbaar kon laten zien. Verweerder heeft verder onbestreden aan eiser tegengeworpen dat hij ook geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachten en gevoelens bij de mening die zijn familieleden en de leden van de gemeenschap hadden over homoseksualiteit. Ook heeft hij geen inzicht gegeven in zijn gevoelens en gedachten bij het feit dat hij met [persoon A] homoseksuele handelingen verrichtte op de islamitische school.
5.4.
Verweerder heeft ook aan eiser mogen tegenwerpen dat hij summier en oppervlakkig heeft verklaard over zijn gevoelens over zijn homoseksualiteit in relatie tot zijn geloof. Eiser heeft immers enkel verklaard dat het islamitische geloof niet positief kijkt naar homoseksualiteit, maar dat eisers geaardheid nou eenmaal een onderdeel van hem is. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser geen inzicht heeft gegeven in wat het met hem deed dat zijn geloof en geaardheid met elkaar botsten en hoe hij hiermee omging in het dagelijks leven. Gelet op het grote contrast tussen de twee aspecten van eisers identiteit heeft verweerder meer van eiser mogen verwachten.
5.5.
Verweerder werpt terecht aan eiser tegen dat hij wisselend heeft verklaard over het moment dat hij en [persoon A] zijn betrapt. In het gehoor bij de politie op 25 maart 2023 heeft eiser verklaard dat hij en [persoon A] in de bosjes zijn betrapt en dat de hele gemeenschap hem zou vermoorden. Ze hebben hem achternagezeten en eiser en [persoon A] zijn uit elkaar gegaan. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat zij zijn betrapt in een leegstaand pand en dat hij door mensen van de gemeenschap is vastgebonden en mishandeld. De politie is ter plaatse gekomen en hebben eiser en [persoon A] in een pick-up meegenomen. Vervolgens raakte de politieauto in een botsing en is eiser uit de auto gesprongen en weggerend naar een grensdorp en van daaruit naar Senegal. Tijdens de zitting heeft eiser verklaard dat hij met de term bosjes (bushes) wilde aangeven dat het zich buiten het centrum afspeelde maar verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat er wezenlijke verschillen zijn in de verklaringen. En hoewel het inderdaad kan voorkomen dat iemand door trauma een gefragmenteerd geheugen en valse/verkeerde herinneringen kan hebben, is hiervan in het geval van eiser niet gebleken. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd die dit ondersteunen. Uit het medisch advies van 27 oktober 2024 is naast lichamelijke klachten alleen gebleken dat eiser moeite lijkt te hebben met het plaatsen van exacte data bij gebeurtenissen.
5.6.
Verweerder stelt zich gelet op al het voorgaande – in onderlinge samenhang bezien – niet ten onrechte op het standpunt dat eiser zijn seksuele geaardheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Het rapport van de heer [persoon B] leidt niet tot een ander oordeel. Met de vragen over de gevoelens en gedachtegang van eiser heeft verweerder niet zo’n hoge lat gelegd als door eiser wordt gesteld. Ook los daarvan heeft eiser met zijn verklaringen onvoldoende inzicht gegeven in zijn denkproces.
5.7.
De beroepsgronden slagen niet.
Reëel risico op ernstige schade
6. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Gambia een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hij beroept zich op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 17 november 2020 (B. en C. v. Zwitserland) [1] . Hieruit volgt volgens eiser dat de Staat in Gambia niet voldoende waarborgen kan bieden om hem te beschermen tegen mishandeling door de gemeenschap, omdat homoseksualiteit in Gambia strafbaar is gesteld. Hij loopt een risico om vermoord te worden door zijn gemeenschap of te worden opgepakt door de autoriteiten. Het risico om vermoord te worden is dusdanig ernstig, dat eiser in het nader gehoor heeft verklaard dat hij overweegt om zijn eigen leven te nemen als hij teruggestuurd zal worden. Hier heeft verweerder geen rekening mee gehouden.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers homoseksuele geaardheid en de problemen die hij hierdoor stelt te hebben ondervonden niet geloofwaardig zijn (zie hiervoor onder 5.1. tot en met 5.6.). Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hem bij terugkeer homoseksualiteit wordt toegedicht. Hij heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Gambia een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ECLI:CE:ECHR:2020:1117JUD000088919.