Overwegingen
1. Eiser en eiseres zijn de gestelde ouders van referent en hebben de Afghaanse nationaliteit. Hun (meerderjarige) dochter is de gestelde zus van referent en heeft ook de Afghaanse nationaliteit. Eisers beogen verblijf bij referent in Nederland. Referent is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft eveneens de Afghaanse nationaliteit. Aan referent is een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Referent heeft de in deze zaak voorliggende mvv-aanvragen op 14 maart 2022 ingediend.
2. Het bestreden besluit houdt – samengevat – het volgende in. Eisers hebben met de overgelegde documenten en afgelegde verklaringen de gestelde familierechtelijke relatie met referent onvoldoende aannemelijk gemaakt. Hoewel aan eisers op dit punt het voordeel van de twijfel wordt gegeven omdat er een begin van bewijs is geleverd, biedt verweerder geen DNA-onderzoek aan omdat vooraf duidelijk is dat de aanvragen om andere redenen niet tot een inwilliging zal leiden. De weigering van verblijf aan eisers in Nederland is namelijk niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Tussen eisers en referent bestaat geen beschermingswaardig familie- of gezinsleven omdat zij niet ‘een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie’ hebben. Volgens verweerder is het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing omdat niet langer sprake is van samenleving in gezinsband omdat referent voorziet in zijn eigen levensonderhoud en omdat hij niet van zijn ouders afhankelijk is. Verweerder heeft de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM, mede vanwege het ontbreken van beschermingswaardige gezinsleven, maar (onder meer) ook omdat aan het economisch belang van de Nederlandse Staat veel gewicht toekomt, in het nadeel van eisers en referent laten uitvallen.
3. Eisers betogen, kort gezegd, dat verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de familierechtelijke relatie tussen referent en eisers niet aannemelijk is gemaakt. Verweerder heeft ten onrechte tegengeworpen dat de overgelegde kopieën van de tazkera’s, huwelijksboekje, persoonsuittreksel van de zus en het geboortebewijs van de zus en referent niet (op echtheid) kunnen worden onderzocht. Ook heeft verweerder ten onrechte nagelaten de verklaring van de stamhoofden in samenhang met de overige documenten te beoordelen. Verder heeft verweerder zich volgens eisers ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van beschermingswaardig gezinsleven. Daartoe voeren eisers primair aan dat verweerder ten onrechte het jongvolwassenenbeleid niet heeft toegepast. Volgens eisers werpt verweerder ten onrechte tegen dat geen sprake is van samenleven in gezinsverband en dat referent voorziet in zijn eigen levensonderhoud. Subsidiair voeren eisers daartoe aan dat tussen hen en referent sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Eisers voeren tot slot aan dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ten onrechte in hun nadeel heeft laten uitvallen.
4. Op grond van paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) geldt dat gezinsleven met meerderjarige kinderen in beginsel alleen wordt aangenomen als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen.
5. Paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000 formuleert een uitzondering op deze hoofdregel, het zogenaamde jongvolwassenenbeleid. Uit dit beleid volgt dat verweerder familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aanneemt, indien het meerderjarige kind:
- jongvolwassen is - in beginsel in de leeftijd van 18 tot en met 25 jaar -;
- met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft;
- niet in zijn eigen onderhoud voorziet; en
- geen zelfstandig gezin heeft gevormd.
6. De omstandigheid dat een meerderjarig kind zelfstandig woont en zelfstandig voorziet in het eigen levensonderhoud kan een indicatie zijn dat de feitelijke gezinsband is verbroken. Op grond van rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2863, dient verweerder bij zijn beoordeling echter te betrekken in hoeverre het meerderjarige kind door zelfstandig te gaan wonen en/of werken een bewuste stap naar zelfstandigheid heeft willen zetten. Als dat laatste het geval is, geldt doorgaans dat het kind hiermee niet langer tot het gezin van zijn ouder(s) behoort. 7. Referent was ten tijde van de aanvragen 21 jaar oud en ten tijde van het bestreden besluit 23 jaar oud. Voor de beoordeling van de vraag of een jongvolwassene met zijn ouder(s) in gezinsband samenleeft is het moment van binnenkomst in Nederland leidend. Ook wordt de gezinssituatie ten tijde van het vertrek uit het land van herkomst betrokken. Niet in geschil is dat referent gedurende twee of drie jaar voorafgaand aan het vertrek uit Afghanistan bij zijn oom in Kabul woonde. Dat hij niet meer samen met zijn ouders woont, was niet noodgedwongen, maar een vrije keuze van referent. Deze keuze heeft hij gemaakt in verband met de reisafstand tussen Laghman en Kabul, waar hij ging studeren. Ook voorzag referent in die periode in zijn eigen levensonderhoud. Referent kreeg wat geld van zijn oom voor de hulp die hij verleende binnen het huishouden van zijn oom (zie rapport hoorzitting nareis, p. 5 en 7). Daarnaast werkte referent als leerling bij een kleermakerij in een atelier, waarvoor hij een vergoeding kreeg (zie rapport hoorzitting nareis, p. 5). Deze inkomsten waren volgens referent voor hem genoeg. Het geld dat referent overhield gaf hij aan zijn ouders die, ondanks de gelden uit het pensioen van zijn vader en de opbrengsten van de grondverhuur, onvoldoende inkomsten hadden (zie rapport hoorzitting nareis, p. 7). De omstandigheid dat referent één of twee dagen in de weekenden bij zijn ouders verbleef om zijn ouders te helpen bij zwaardere huishoudelijke taken, taken buitenhuis en te begeleiden naar Pakistan voor medische behandelingen, maakt het voorgaande niet anders. Hieruit blijkt namelijk dat de ouders eerder afhankelijk van referent zijn dan dat referent afhankelijk is van hen. Het betoog van eisers dat in het kader van het jongvolwassenenbeleid de vereiste afhankelijkheid ook andersom kan werken vindt geen grondslag in EVRM-jurisprudentie en wet- en regelgeving. Ook na binnenkomst in Nederland is referent zelfstandig in Zoutkamp gaan wonen. Hij was er ten tijde van de mvv-aanvragen in geslaagd zijn leven zelfstandig vorm te geven. Referent werkt sinds 8 juni 2022 bij Sayed B.V. twee dagen in de week op basis van een nulurencontract. Een deel van zijn inkomsten stuurt hij via Moneygram of Western Union naar zijn ouders (zie rapport hoorzitting nareis, p. 7). Hoewel referent heeft gesteld dat hij kampt met psychische klachten heeft hij ook verklaard dat hij in Nederland het goed kan managen (zie rapport hoorzitting nareis, p. 9). Verweerder heeft dan ook terecht aangenomen dat de gezinsband is verbroken.
8. Verweerder heeft gelet op het voorgaande niet ten onrechte geconcludeerd dat referent niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid en heeft daarbij alle door eisers aangevoerde omstandigheden betrokken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
9. Familieleven tussen meerderjarige kinderen (niet zijnde jongvolwassenen) en hun ouders, en tussen meerderjarige broers en zussen, is beschermenswaardig in de zin van artikel 8 van het EVRM als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen (ECLI:NL:RVS:2024:1188). 10. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn factoren als samenwoning, financiële afhankelijkheid, emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van (een van) de betrokkenen en de banden met het land van herkomst van belang. Deze factoren moeten in onderling verband en samenhang worden bezien. Verweerder mag bij deze beoordeling zwaarwegend, maar niet doorslaggevend gewicht toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg geven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003. Geen van deze factoren is op zichzelf, of in combinatie, per definitie voldoende om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. 11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat het vertrek van referent uit Laghman verband hield met zijn studie in Kabul, dat de scheiding van zijn familie dus niet onvrijwillig was, en dat referent zich nadien jarenlang zelfstandig staande heeft kunnen houden. In Kabul en Nederland werkt(e) referent om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien, verricht(te) hij de noodzakelijke huishoudelijke werkzaamheden en woont hij in Nederland zelfstandig. Daarbij heeft verweerder ook kunnen betrekken dat, voor zover geconcludeerd kan worden dat de ouders hulpbehoevend zijn, uit de verklaringen van referent volgt dat tijdens zijn verblijf in Kabul en na zijn vertrek uit Afghanistan verschillende mensen voor de ouders hebben gezorgd. De inwonende zus neemt de dagelijkse zorgtaken binnenhuis (zoals het naar de wc en de badkamer gaan en bij het gebruiken van de telefoon) op zich. Bij handelingen buitenhuis worden de ouders geholpen door derden zoals een buurjongen en af en toe door een zwager van referent. Ook heeft referent tijdens de hoorzitting bevestigd dat, hoewel de contacten verwaterd zijn, er andere familieleden in de buurt van de ouders zijn die hulp kunnen bieden. Daar komt nog bij dat referent enkel in de weekenden bij zijn ouders in Laghman was en de ouders de resterende tijd zich zonder de fysieke aanwezigheid van referent, eventueel met de hulp van anderen, hebben gered. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eisers het belangrijk vinden om deze zorg en begeleiding van referent te krijgen, is niet aannemelijk gemaakt dat zij exclusief afhankelijk is van deze zorg van referent. Ook in andere opzichten is niet gebleken dat de band tussen referent en de ouders de gebruikelijke band tussen een meerderjarige kind en ouders overstijgt. Het feit dat referent zijn ouders financiële ondersteuning biedt en dat zijn ouders hem op emotioneel vlak steunen en aanmoedigen, is daarvoor onvoldoende. Ten aanzien van de zus zijn verder geen andere omstandigheden aangevoerd die maken dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Dat referent en zijn zus elkaar iedere keer omhelsden nadat referent vanuit Kabul naar Laghman ging, is daarvoor onvoldoende.
12. Verweerder heeft gelet op het voorgaande niet ten onrechte geconcludeerd dat niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en eisers die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen en dat er dus geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Deze beroepsgrond slaagt niet.
13. De beroepsgrond van eisers dat sprake is van een onevenwichtige belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM, treft geen doel. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1188) geoordeeld dat in zaken waar geen familie- of gezinsleven wordt aangenomen, verweerder geen belangenafweging in de zin van artikel 8 van het EVRM meer hoeft te verrichten. Verweerder heeft zich, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat tussen eisers en referent geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan de vraag of de belangenafweging in het bestreden besluit deugdelijk heeft plaatsgevonden. Familierechtelijke relatie
14. Omdat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat tussen eisers en referent geen familie- of gezinsleven bestaat, komt de rechtbank ook niet meer toe aan de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de familierechtelijke relatie tussen referent en eisers niet aannemelijk is gemaakt.
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.