ECLI:NL:RBDHA:2025:26407

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.23413
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen eerdere uitspraak in asielzaak gegrond verklaard, verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een asielprocedure. Verzoeker heeft op 23 september 2023 een asielaanvraag ingediend. Op 10 februari 2025 heeft hij beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag, wat resulteerde in een eerdere uitspraak van de rechtbank op 24 maart 2025, waarin het beroep gegrond werd verklaard. De rechtbank heeft verweerder opgedragen om binnen zestien weken een beslissing te nemen op de aanvraag van verzoeker. Verweerder heeft echter op 6 mei 2025 verzet ingediend tegen deze uitspraak. Op 28 augustus 2025 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard en het eerdere beroep van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft op 24 september 2025 alsnog op de asielaanvraag beslist. Verzoeker heeft op 25 september 2025 het tweede beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van proceskosten. De rechtbank heeft in haar overwegingen uiteengezet dat partijen niet voor een zitting worden uitgenodigd, omdat dit niet nodig is volgens de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft ook aangegeven dat de veroordeling in proceskosten afhankelijk is van de omstandigheden waaronder het beroep is ingetrokken. Uiteindelijk heeft de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen, omdat het tweede beroep niet-ontvankelijk was verklaard en verzoeker geen nieuwe ingebrekestelling had ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23413

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [persoon A] ).

Procesverloop

Op 23 september 2023 heeft verzoeker een asielaanvraag ingediend.
Op 10 februari 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag (hierna: het eerste beroep).
In de uitspraak van 24 maart 2025 (NL25.6252) heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen zestien weken na bekendmaking van de uitspraak een beslissing te nemen op de aanvraag van eiser.
Op 6 mei 2025 heeft verweerder tegen deze uitspraak verzet ingediend.
Op 23 mei 2025 heeft verzoeker opnieuw een beroep niet tijdig ingesteld (hierna: het tweede beroep)
Op 28 augustus 2025 heeft deze rechtbank het verzet tegen de uitspraak van 24 maart 2025 gegrond verklaard en is het beroep van eiser van 10 februari 2025 tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard (ECLI:NL:RBDHA:2025:23365).
Op 24 september 2025 heeft verweerder alsnog op de asielaanvraag van verzoeker beslist.
Bij bericht van 25 september 2025 heeft verzoeker het beroep van 23 mei 2025 ingetrokken en de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Verweerder heeft bij brief van 14 oktober 2025 laten weten geen aanleiding te zien om proceskosten te vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser het tweede beroep te vroeg heeft ingesteld. Verweerder had immers verzet ingediend tegen de uitspraak van 24 maart 2025 waardoor deze uitspraak toen nog niet in rechte vaststond.
4. De rechtbank overweegt dat op het moment dat eiser het tweede beroep instelde zij nog geen uitspraak had gedaan op het verzet van verweerder. Tot de uitspraak op het verzet had verweerder zich dus te houden aan de nadere beslistermijn die de rechtbank bij uitspraak van 24 maart 2025 had bepaald. Dat verweerder tegen deze uitspraak verzet heeft ingediend maakt dit niet anders, omdat het doen van verzet geen schorsende werking heeft (artikel 8:55e, tweede lid, van de Awb). Als het tweede beroep niet zou zijn ingetrokken had de rechtbank dit beroep dus ontvankelijk geacht.
5. Op 28 augustus 2025 heeft deze rechtbank het verzet gegrond verklaard waardoor de uitspraak van 24 maart 2025 is komen te vervallen. Bij diezelfde uitspraak heeft de rechtbank het eerste beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat hij de ingebrekestelling te vroeg heeft ingediend. Eiser heeft daarna geen nieuwe ingebrekestelling ingediend zodat ook het tweede beroep niet-ontvankelijk is. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten moet dus worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.