ECLI:NL:RBDHA:2025:26385
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening in het kader van een asielaanvraag. Verzoekster, vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. C.G. Matze, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Echter, de minister van Asiel en Migratie, verweerder in deze zaak, heeft op 29 oktober 2025 besloten om de aanvraag niet in behandeling te nemen, met als argument dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 december 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van verzoekster telefonisch aanwezig was en de verweerder vertegenwoordigd werd door zijn gemachtigde. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat een voorlopige voorziening alleen mogelijk is als de rechtbank nog niet op het beroep heeft beslist. Aangezien er op dezelfde dag een uitspraak is gedaan in het beroep (zaaknummer NL25.53205), was een voorlopige voorziening niet meer mogelijk.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en aangegeven dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, in aanwezigheid van griffier mr. A. Verhoeven, en is openbaar gemaakt op 16 december 2025. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.