ECLI:NL:RBDHA:2025:26382
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Asielaanvraag van Turkse eiser met strafrechtelijke veroordeling en beroep tegen afwijzing
In deze zaak heeft eiser, een Turkse nationaliteit, op 2 maart 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser heeft de minister van Asiel en Migratie in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. De minister heeft uiteindelijk op 23 juli 2024 de aanvraag afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, dat op 26 augustus 2025 door de rechtbank is behandeld. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister niet tijdig heeft beslist, maar dat eiser geen inhoudelijk belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen, omdat de minister alsnog een besluit heeft genomen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft aangevoerd dat hij onterecht is veroordeeld tot gevangenisstraf in Turkije en dat hij geen eerlijk proces heeft gehad. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat eiser niet voldoende bewijs heeft geleverd om aan te tonen dat zijn veroordeling onterecht was. De rechtbank heeft vastgesteld dat de Turkse rechterlijke macht niet volledig onafhankelijk is, maar dat dit niet betekent dat elke veroordeling in Turkije verdacht is. Eiser heeft niet aangetoond dat hij in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten stond, en de rechtbank heeft geconcludeerd dat de asielaanvraag van eiser ongegrond is. De rechtbank heeft het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag ongegrond verklaard en de proceskosten vastgesteld op € 453,50.