Op 12 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de ondertoezichtstelling van een minderjarige, geboren in 2009. De Raad voor de Kinderbescherming had verzocht om [minderjarige] onder toezicht te stellen voor een jaar, vanwege zorgen over haar ontwikkeling, schoolverzuim en de thuissituatie. Tijdens de zitting werd duidelijk dat er sprake was van veel ongeoorloofd schoolverzuim en dat de ouders ambivalent stonden tegenover hulpverlening. De kinderrechter heeft de zaak met gesloten deuren behandeld, waarbij ook strafzaken tegen de ouders aan de orde kwamen. De ouders gaven aan dat de situatie verbeterd was en dat zij het verzoek tot ondertoezichtstelling niet nodig achtten. De gecertificeerde instelling had twijfels over de noodzaak van een ondertoezichtstelling, gezien de positieve ontwikkelingen binnen het gezin. Na beoordeling van de feiten en de mondelinge behandeling concludeerde de kinderrechter dat de gronden voor ondertoezichtstelling niet aanwezig waren. De kinderrechter wees het verzoek af, met de overweging dat de ingezette hulpverlening voldoende was om de zorgen weg te nemen. De beslissing werd openbaar uitgesproken en is op schrift gesteld op 5 januari 2026.