ECLI:NL:RBDHA:2025:26359

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
C/09/647564 / FA RK 23-3466
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en overdracht locatie voor minderjarige na echtscheiding

De rechtbank Den Haag heeft op 12 december 2025 een beschikking gegeven inzake de zorgregeling voor een minderjarige na echtscheiding van de ouders. De voorlopige regeling, waarbij contactmomenten onder begeleiding plaatsvinden en de hoofdverblijfplaats bij de moeder is, wordt gehandhaafd en aangepast. De overdracht van de minderjarige tussen ouders vindt voortaan plaats op een neutrale locatie, een station, in plaats van de eerdere locatie, vanwege bezwaren van de moeder.

De ouders zijn sinds enige tijd betrokken bij begeleide omgang via zorginstantie 2, nadat de eerste instantie stopte met deze dienstverlening. De vader woont op een beschermde locatie vanwege middelengebruik en volgt een hersteltraject. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarige dat de omgangsbegeleiding doorgaat naast de voorlopige zorgregeling, met als einddoel onbegeleid contact en een definitieve zorgregeling waarbij de minderjarige regelmatig bij de vader verblijft.

De rechtbank erkent de zorgen van de moeder over veiligheid, maar vertrouwt op het herstel van de vader en de deskundigheid van de zorginstantie. De rechtbank stelt een termijn van maximaal zes maanden om tot de definitieve regeling te komen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en wijst overige verzoeken af.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de overdrachtslocatie naar een neutraal station en bevestigt de voortzetting van begeleide omgang met als doel binnen zes maanden een definitieve zorgregeling te realiseren.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 23-3466
Zaaknummer: C/09/647564
Datum beschikking: 12 december 2025

Verdeling van zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 12 mei 2023 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Salhi te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. van der Heide-Boertien te Den Haag.

Procedure

Bij beschikking van deze rechtbank van 29 oktober 2024 is:
  • de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
  • bepaald dat [minderjarige] de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
  • bepaald dat [minderjarige] voorlopig contact zal hebben met de vader:
- elke donderdag maximaal tien minuten vanaf 18.30 uur via videobellen;
- met ingang van 2 november 2024 gedurende drie uren per week onder begeleiding van – en thuis bij oma vaderszijde of tante vaderszijde, waarbij de overdracht van [minderjarige] plaatsvindt op het reeds bekende treinstation in [plaats 1] tussen oma vaderszijde (of een ander familielid van de vader) en de vrouw, zonder dat de vader daarbij aanwezig is, en waarbij deze voorlopige regeling na 2 december 2024 steeds met één uur wordt uitgebreid tot acht uren per week in totaal;
  • bepaald dat de vader de huurder zal zijn van de woonruimte in [plaats 2];
  • iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling) aangehouden.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • het F9-formulier van 7 november 2024 van de zijde van de vader;
  • het F9-formulier van 21 januari 2025 van de zijde van de vader;
  • het F9-formulier van 4 maart 2025 van de zijde van de vader;
  • het F9-formulier van 7 maart 2025 van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 5 april 2025 van de zijde van de vader;
  • het F9-formulier van 9 april 2025 van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 6 mei 2025 van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 14 mei 2025 van de zijde van de vader;
  • het bericht van 2 september 2025 van de zijde van de vader.
Op 14 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Marokkaans-Arabische taal;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Huidige situatie
Uit de stukken en hetgeen is besproken op de zitting blijkt dat de ouders zich geruime tijd geleden hebben aangemeld voor omgangsbegeleiding bij [zorginstantie 1]. Omdat [zorginstantie 1] per 1 januari 2025 is gestopt met het aanbieden van begeleide omgang en de ouders toen nog op de wachtlijst stonden, zijn de ouders doorverwezen naar een andere hulpverleningsinstantie. Mede vanwege de verhuizing van de moeder en [minderjarige] naar [plaats 3] en de personele bezetting en wachtlijsten van de betrokken instanties zijn de ouders pas in mei 2025 aangemeld bij [zorginstantie 2]. In november 2025 heeft [zorginstantie 2] een plan van aanpak opgesteld voor ouderschapsbemiddeling en het opbouwen van begeleide omgang en zijn er kennismakingsgesprekken gevoerd met de ouders en [minderjarige], waarna binnenkort met het traject zal worden gestart.
In de tussentijd is de vader op een beschermde locatie gaan wonen in verband met zijn middelengebruik en heeft hij een traject gevolgd om te stoppen met het gebruik van middelen. De moeder heeft zelfstandige woonruimte in [plaats 3]. De ouders hebben het afgelopen jaar gedeeltelijk uitvoering gegeven aan de voorlopige zorgregeling. De contactmomenten zijn steeds zo geweest dat de moeder [minderjarige] op zaterdag naar het station in [plaats 1] brengt, waar de grootmoeder van vaderszijde [minderjarige] ophaalt en naar haar vader brengt. Grootmoeder begeleidt vervolgens (soms op afstand) het contactmoment van een aantal uren in (de omgeving van) [plaats 1]. Aan het einde van het contactmoment draagt grootmoeder [minderjarige] weer over aan de moeder op het station in [plaats 1]. De contactmomenten die hebben plaatsgevonden, zijn steeds goed verlopen, maar de reisbewegingen die moeten worden gemaakt zorgen wel voor enig ongemak voor beide ouders. Door de fysieke afstand tussen de woonplaatsen van de ouders en de gezondheidsklachten en tijdelijke afwezigheid van de grootmoeder zijn de contactmomenten niet iedere week doorgegaan. Vanwege dezelfde redenen hebben de vader en [minderjarige] het contactmoment een enkele keer bij grootmoeder thuis doorgebracht. Het belmoment op de donderdag wordt wel wekelijks nagekomen en duurt doorgaans tussen de 40 minuten en een uur.
In verband met de afstand tussen de woonplaats van de vader en de locatie van [zorginstantie 2] ([locatie]) heeft de vertegenwoordiger van de Raad op de zitting aangegeven dat zij contact zal opnemen met [instantie] om te bezien of zij in samenwerking met [zorginstantie 2] kunnen organiseren dat de begeleide omgang plaatsvindt in de [regio]. De Raadsvertegenwoordiger heeft aangegeven dat zij de advocaten zal informeren over dit contact en de eventuele resultaten daarvan.
Inhoudelijke beoordeling
Het is de rechtbank duidelijk dat de omgangsbegeleiding door [zorginstantie 2] (en eventueel in samenwerking met [instantie]) binnenkort zal worden gestart. Naar het oordeel van de rechtbank is het wenselijk en in het belang van [minderjarige] dat de voorlopige zorgregeling blijft doorlopen naast de contactmomenten die [zorginstantie 2] zal begeleiden en opbouwen. Op die manier blijft de continuïteit van het contact tussen [minderjarige] en de vader gewaarborgd.
Daarnaast heeft de rechtbank op de zitting met de ouders gesproken over het einddoel van de omgangsbegeleiding. De rechtbank formuleert dat einddoel als volgt. [zorginstantie 2] zal met de ouders en [minderjarige] moeten toewerken naar onbegeleid contact en een definitieve zorgregeling waarbij [minderjarige] eens per twee weken vanaf vrijdag uit school tot en met zondag na het eten en iedere week een middag op een doordeweekse dag bij de vader zal zijn. De rechtbank begrijpt de zorgen die de moeder heeft over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader, ook omdat de vader heeft aangegeven dat hij afgelopen maart een terugval in middelengebruik heeft gehad. Daar staat tegenover dat de vader inmiddels al langere tijd in een beschermde omgeving woont, wordt begeleid en op de goede weg lijkt te zijn in zijn herstel. Dit maakt dat de rechtbank vertrouwen blijft houden in de vader en zijn vermogen om het contact met [minderjarige] op een veilige en prettige manier vorm te geven. De rechtbank vertrouwt op de deskundigheid van [zorginstantie 2] om te bepalen op welke manier en met welke tussenstappen er naar de eindregeling toegewerkt moet worden. In dat verband laat de rechtbank het ook aan [zorginstantie 2] om te bepalen vanaf welk moment de voorlopige zorgregeling en de begeleide contactmomenten niet langer naast elkaar zullen lopen, maar als het ware samenkomen in het traject richting het einddoel, namelijk de definitieve zorgregeling. Gelet op de aard, duur en frequentie van de beoogde eindregeling en het feit dat de voorlopige zorgregeling enige tijd zal doorlopen naast de contactmomenten die [zorginstantie 2] zal begeleiden, acht de rechtbank een termijn van maximaal zes maanden vanaf de beschikkingsdatum voldoende om tot realisatie van de eindregeling te komen.
Ten aanzien van de voorlopige zorgregeling overweegt de rechtbank nog het volgende. De vader heeft gesteld dat het vanwege de leeftijd en gezondheid van grootmoeder niet goed haalbaar is om de overdracht nog langer in [plaats 1] te laten plaatsvinden en stelt voor om de overdracht te verplaatsen naar [plaats 2]. De moeder heeft aangegeven dat zij de overdrachtslocatie niet wil veranderen, omdat zij niet in [plaats 2] durft te komen. De rechtbank begrijpt dat het voor de moeder, gelet op het verleden, moeilijk is om op bepaalde plekken in [plaats 2] te zijn omdat zij die plekken met nare herinneringen associeert. De rechtbank acht het – net als de Raad – voor [minderjarige] en voor de moeder zelf van belang dat de moeder hulpverlening inschakelt om aan deze angst te werken. Het is immers belangrijk dat [minderjarige] onbelast contact kan hebben met haar vader, die nu eenmaal woonachtig is in [plaats 2]. Op de zitting is door de vader gesteld dat [station] een neutrale overdrachtsplek zou kunnen zijn omdat de moeder daar niet eerder zou zijn geweest. De moeder heeft dit niet betwist en het is de rechtbank ook niet gebleken dat de moeder nare herinneringen associeert met deze plek. De rechtbank acht het, gelet op de hoeveelheid reisbewegingen die op dit moment nodig zijn om tot het contactmoment te komen, in het belang van [minderjarige] om de overdrachtslocatie te wijzigen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de overdracht voortaan zal plaatsvinden op [station] in plaats van station [plaats 1]. Voor het overige blijft de wijze van overdracht ongewijzigd.

Beslissing

De rechtbank – in zoverre met wijziging van de beschikking van 29 oktober 2024 –:
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats], [geboorteland],
voorlopigcontactzal hebben met de vader:
- elke donderdag vanaf 18.30 uur door middel van videobellen;
- elke zaterdag gedurende acht uren onder begeleiding van – en thuis bij grootmoeder vaderszijde, waarbij de overdracht van [minderjarige] plaatsvindt op [station] tussen grootmoeder (of een ander familielid van de vader) en de moeder, zonder dat de vader daarbij aanwezig is,
- tijdens de door [zorginstantie 2] te begeleiden en op te bouwen contactmomenten;
en waarbij onder regie van [zorginstantie 2] binnen zes maanden vanaf de datum van deze beschikking wordt toegewerkt naar de
definitieve zorgregeling, waarbij [minderjarige] bij de vader zal zijn:
  • een weekend per twee weken vanaf vrijdag uit school tot zondag na het eten;
  • een middag per week uit school tot (na) het avondeten, op een doordeweekse dag;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, (kinder)rechter, bijgestaan door
mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 december 2025.