ECLI:NL:RBDHA:2025:26356

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
C/09/673445 / FA RK 24-7101
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van beperkte gemeenschap en vorderingen in echtscheidingsprocedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 12 december 2025 een beschikking gegeven in het kader van een echtscheiding tussen een man en een vrouw. De rechtbank heeft de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen vastgesteld, waarbij de man en de vrouw gezamenlijk eigenaar zijn van de echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening. De man heeft verzocht om echtscheiding en heeft nevenvoorzieningen gevraagd met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap. De vrouw heeft verweer gevoerd en ook zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met een eigen voorstel voor de verdeling van de gemeenschap.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt en dat er sprake is van een beperkte gemeenschap van goederen. De peildatum voor de verdeling is vastgesteld op 2 oktober 2024. De rechtbank heeft de verzoeken van beide partijen beoordeeld en heeft de echtelijke woning in eerste instantie aan de vrouw toegedeeld, onder voorwaarden. Indien de vrouw niet in staat is om aan deze voorwaarden te voldoen, zal de woning aan de man worden toegedeeld. De rechtbank heeft ook de verdeling van de inboedel, bankrekeningen, en andere goederen zoals een auto en contant geld behandeld. De rechtbank heeft bepaald dat de man de helft van het contante geld dat van bruiloftsgasten is ontvangen aan de vrouw moet voldoen. Daarnaast zijn er diverse vorderingen en vergoedingsrechten besproken, waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw aan de man een bedrag moet voldoen in verband met door hem betaalde lasten voorafgaand aan het huwelijk en voor de gezamenlijke woning. De proceskosten zijn gecompenseerd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7101 (echtscheiding) en FA RK 25-2532 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/673445 (echtscheiding) en C/09/683028 (verdeling)
Datum beschikking: 12 december 2025

Verdeling huwelijksgemeenschap

Beschikking op het op 2 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.L.J. Kapteijn te Alphen aan den Rijn.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.C. Tijsterman te Hoofddorp.

Procedure

Bij beschikking van deze rechtbank van 13 augustus 2025 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat de behandeling zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip in de stand waarin deze zich bevindt. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling is aangehouden tot 1 oktober 2025 pro forma.
De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de stukken:
  • het verzoekschrift, met producties 1 en 2;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met 1 productie;
  • het op 14 februari 2025 ingekomen verweer tegen het zelfstandig verzoek tevens zelfstandig verzoekschrift, met producties 1 tot en met 7;
  • het op 1 april 2025 ingekomen verweer tegen het zelfstandig verzoek, met producties A tot en met T;
  • het bericht van 26 mei 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
  • het op 3 juni 2025 ingekomen aanvullend verzoekschrift, met producties 9 tot en met 23;
  • het op 18 juli 2025 ingekomen verweerschrift tegen het aanvullend verzoekschrift, met producties AVW-1 tot en met AVW-10 en producties U tot en met Z;
  • het bericht van 21 juli 2025 van de zijde van de man, met producties 24 tot en met 39.
En de rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van het F9-formulier van 30 oktober 2025, met producties AA tot en met AF, van de zijde van de vrouw.
Op 13 november 2025 is de behandeling van de zaak op de zitting van deze rechtbank voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
Tijdens de zitting zijn namens de vrouw salarisspecificaties van januari tot en met november 2025 overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man zoals dat na aanvulling luidt, strekt tot echtscheiding, met een nevenvoorziening tot:
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, overeenkomstig zijn voorstel:
de vrouw primair te veroordelen om de afschriften van haar rekeningen in het geding te brengen met het saldo voor het huwelijk en het saldo op de peildatum, subsidiair, indien de vrouw dit nalaat, de vrouw te veroordelen om € 15.000,- aan de man te voldoen terzake de helft van het door haar ten tijde van het huwelijk gespaarde inkomen;
te bepalen dat de echtelijke woning aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats 1] aan de man wordt toebedeeld, tegen een waarde van € 375.000,- inclusief het restant van de inboedel dat zich daarin nog bevindt;
te bepalen dat de vrouw de man primair binnen 1 week na de zitting de persoonlijke goederen moet overhandigen (waaronder een gouden halsketting met kruis, twee gouden sieradensets, parfums, zijn horloge en andere waardevolle goederen) en een bedrag van € 5.500,- aan hem dient te betalen terzake de overbedeling, subsidiair, indien de vrouw weigert voormelde persoonlijke goederen aan de man te overhandigen, de vrouw te veroordelen om € 10.500,- aan de man te voldoen;
de vrouw te veroordelen om terzake de woonlasten over de periode 12 mei 2023 tot 29 juli 2023 aan de man te voldoen een bedrag van € 2.481,35;
de vrouw te veroordelen om de helft van de kosten koper en taxatiekosten aan de man te voldoen ter hoogte van€ 1.687,25;
de vrouw te veroordelen om de helft te voldoen van de kosten verbonden aan het huwelijksfeest, genoemd in alinea 22, ter hoogte van€ 8.560,95;
de vrouw te veroordelen om de helft van de gouden sets aan de man te overhandigen binnen 1 week na dagtekening beschikking danwel de man de helft van de dagwaarde te voldoen, subsidiair de vrouw te veroordelen de door de man gekochte sets plus het kruis aan de man te overhandigen binnen 1 week na dagtekening beschikking danwel de man de helft van de dagwaarde van dit goud te voldoen;
de vrouw te veroordelen om de helft van de zaalhuur aan de man terug te betalen, ter hoogte van € 6.500,-;
de vrouw te veroordelen om de helft te voldoen van de woonlasten over de periode juli 2023 tot en met januari 2024 en september 2024 ter hoogte van € 9.658,48;
de vrouw te veroordelen om de helft te voldoen van alle door de man ten tijde van het huwelijk verrichte grote uitgaven, te weten € 6.000,-;
de vrouw te veroordelen om de helft van de aan de woning verbonden lasten aan de man te voldoen over de periode oktober 2024 tot datum levering woning aan de man, bestaande uit de hypotheekrente en hypotheekaflossing, de helft van de VvE lasten € 196,89 per maand, onroerend zaakbelasting € 98,58 en verzekeringen € 55,15 ter hoogte van€ 1.093,34 per maand;
de vrouw te veroordelen om de man een bedrag van € 1.250,- te voldoen ter aflossing van een gemeenschapsschuld die de man reeds, na datum ontbinding huwelijk, aan zijn broer heeft voldaan;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw, naar de rechtbank begrijpt, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met een nevenvoorziening tot:
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, overeenkomstig haar voorstel:
 aan de vrouw wordt toebedeeld de echtelijke woning, tezamen met de hypotheek op de woning. De nog objectief vast te stellen waarde van de woning, onder aftrek van de restanthypotheekschuld, gedeeld door twee dient de vrouw aan de man te voldoen. Een en ander onder de voorwaarde dat de vrouw in staat is om de woning toebedeeld te krijgen. Een en ander onder verrekening van de door de vrouw betaalde hypotheekaflossingen;
 de inboedel dient te worden verdeeld;
 alsook de saldi van alle betrokken bankrekeningen van partijen;
 de auto kan aan de man worden toebedeeld onder uitbetaling van de helft van de waarde aan de vrouw;
 de gouden munt dient aan de vrouw te worden toebedeeld;
 aan de vrouw dient de helft van het contante geld (bruiloftscadeaus) te worden voldaan door de man;
 op grond van de Wet Pensioenverevening dienen partijen over te gaan tot pensioenverevening;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van de man in de proceskosten.

Beoordeling

Omdat de echtscheiding tussen partijen reeds bij de tussenbeschikking van 13 augustus 2025 is uitgesproken en zal de rechtbank in de beschikking nog slechts beschikking over de verzoeken die betrekking hebben op toedeling van de woning en verdeling van de overige vermogensbestanddelen die tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoren.
Verdeling
Gesteld noch gebleken dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. De man en de vrouw zijn na 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zodat gelet op het bepaalde in artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden aangenomen dat tussen hen een beperkte gemeenschap van goederen bestaat. Dit betekent dat alleen hetgeen de echtgenoten tijdens hun huwelijk hebben opgebouwd, alsmede de goederen die vóór het huwelijk aan hen gezamenlijk toebehoorden, tot de gemeenschap behoren. Het vermogen dat ieder van partijen voor het sluiten van het huwelijk had, alsmede schenkingen en erfenissen, blijven privévermogen.
Peildatum
Voor het vaststellen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, namelijk 2 oktober 2024. Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt de datum van verdeling, tenzij de man en de vrouw anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan moet worden afgeweken. Dit laatste is gesteld noch gebleken.
Omvang huwelijksgemeenschap
Partijen stellen dat de volgende vermogensbestanddelen in hun ontbonden gemeenschap vallen:
de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats 1] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij Florius;
de inboedel;
de saldi van de bank- en spaarrekeningen;
e BMW met kenteken [kenteken] ;
het contante geld;
de gouden munt;
de persoonlijke goederen, waaronder de gouden sieraden.
Ad a. de echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening
De man en de vrouw zijn gezamenlijk eigenaar van de koopwoning aan de [adres] in [plaats 1] . Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij Florius.
De man en de vrouw hebben allebei verzocht om toedeling van de woning, met ontslag van de andere partij uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek en met verdeling van de eventuele overwaarde bij helfte. Omdat beide partijen stellen een belang te hebben bij toedeling van de koopwoning en financieel in staat te zijn de woning over te nemen, zal de rechtbank een belangenafweging maken.
De rechtbank stelt voorop dat haar is gebleken dat beide partijen belang hebben bij toedeling van de koopwoning. Partijen hebben de woning gezamenlijk gekocht in mei 2023. De stelling van de man dat de vrouw alleen op verzoek van haar moeder mede-eigenaar is geworden van de woning, wat door de vrouw is betwist, acht de rechtbank in dat kader niet relevant. Vaststaat immers dat partijen vanaf de aankoop van de woning beiden voor een gelijk deel eigenaar zijn van de woning. Dat de vrouw eerder zou hebben aangegeven dat zij de woning wilde verkopen en dat zij in de voorlopige voorzieningenprocedure partneralimentatie had gevraagd om de hypotheekrente te kunnen betalen acht de rechtbank evenmin relevant bij haar beoordeling, omdat zij de verzoeken beoordeelt op basis van de feiten en omstandigheden zoals die nu zijn.
In de voorlopige voorzieningenprocedure is het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de man toegewezen. De vrouw verblijft al geruime tijd bij haar ouders in [plaats 2] in een klein appartement waar zij op de bank in de woonkamer slaapt. De vrouw heeft aangevoerd dat dit voor haar niet vol te houden is en dat zij tot nu toe ook geen andere woning heeft kunnen vinden. Omdat de klanten waarvoor de vrouw werkt zich met name in Zuid-Holland zijn gevestigd wil de vrouw graag in de regio Den Haag wonen. Bij haar ouders thuis heeft zij geen goede thuiswerkmogelijkheden, waardoor zij genoodzaakt is in hotellobby’s en vanuit de auto te werken. De man heeft op zijn beurt gesteld dat behoud van de woning voor hem van groot belang is in het kader van zijn werk-privé balans. De man heeft momenteel een opdracht in [plaats 3] , maar heeft tijdens de eerste zitting op 30 juli 2025 aangegeven dat hij als consultant bij klanten overal in het land tewerkgesteld kan worden. Verder heeft de man gesteld dat de hele situatie een negatieve impact op zijn gezondheid heeft gehad. Volgens de man ligt het voor de vrouw wat betreft werk- en sociale omgeving niet voor de hand om in Den Haag te wonen, terwijl dat voor hem wel het geval is.
De rechtbank is op basis van al het voorgaande gebleken dat de situatie van beide partijen verre van ideaal is op het moment dat zij de echtelijke woning niet zouden kunnen overnemen. Beide partijen zullen naar moet worden aangenomen moeten terugvallen op (in ieder geval tijdelijk) verblijf bij familie. De rechtbank komt alles afwegende tot het oordeel dat het belang van de vrouw om de echtelijke woning toegedeeld te krijgen zwaarder weegt dan dat van de man. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de hiervoor geschetste omstandigheden naar haar oordeel blijkt dat de situatie van de vrouw – die al lange tijd bij haar ouders in een klein appartement verblijft, op ruime afstand van haar werk – op dit moment nijpender is dan de situatie van de man. De rechtbank betrekt in haar beoordeling dat de man tijdens de vorige zitting heeft verklaard dat hij overal in het land opdrachten kan krijgen en dus minder aan de regio is gebonden dan de vrouw. Bovendien is onweersproken gebleven dat de ouders van de man over een ruime woning beschikken in Spijkenisse waar hij tijdelijk zou kunnen verblijven. In wat door de man allemaal naar voren is gebracht heeft de rechtbank verder ook geen reden om te twijfelen aan de financiële situatie van de vrouw. De vrouw heeft al haar salarisspecificaties van het afgelopen jaar overgelegd en verklaringen van haar financieel adviseur, waaruit blijkt dat zij in beginsel in staat zou moeten zijn de woning te kunnen financieren. In dat opzicht is de situatie van de vrouw dus niet anders dan die van de man.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande de echtelijke woning in eerste instantie aan de vrouw toedelen op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld. Daarbij bepaalt de rechtbank ook dat indien de vrouw niet in staat blijkt om binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden te voldoen, de woning aan de man zal worden toebedeeld op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden. Indien de man ook niet in staat blijkt om binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden te voldoen, zal de woning worden verkocht aan een derde, op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld.
Ad b. de inboedel
Bij de echtelijke woning inbegrepen inboedelgoederen
Gebleken is dat de echtelijke woning (voor een deel) gemeubileerd is aangekocht. De vrouw heeft als productie AF de lijst van zaken overgelegd. Hieruit blijkt dat in ieder geval de volgende roerende zaken (meubilair en diverse apparatuur) in de woning zijn achtergebleven, en dus in koopprijs waren inbegrepen:
  • kasten
  • bed
  • TV
  • eettafel
  • cinemawall met haard
  • oven
  • kookplaat/gasfornuis
  • koelkast/vriezer
  • afzuigkap
  • vaatwasser
  • wasmachine
  • (condens)droger
Partijen zijn het erover eens dat deze inboedelgoederen kunnen worden toegedeeld aan degene die de echtelijke woning overneemt. Zij zijn het echter niet eens over de waarde daarvan. Volgens de man representeren deze inboedelgoederen geen waarde, en kunnen de inboedelgoederen worden overgenomen zonder vergoeding. Volgens de vrouw moet de waarde van de woning worden getaxeerd inclusief deze inboedelgoederen. Omdat partijen het erover eens zijn dat degene die de woning toegedeeld krijgt de bovengenoemde inboedelgoederen mag houden, zal de rechtbank aldus beslissen en acht zij het redelijk om daarbij te bepalen dat de woning getaxeerd zal worden inclusief deze inboedelgoederen bij overname van de woning door de vrouw of – indien zij hiertoe financieel niet in staat blijkt te zijn – door de man. Als blijkt dat geen van partijen de woning kan overnemen en de woning verkocht zal moeten worden, zullen partijen in overleg met elkaar moeten afspreken welke inboedelgoederen in de woning achterblijven en hoe zij de inboedelgoederen die niet achterblijven onderling verdelen.
Overige inboedelgoederen
Gebleken is dat de vrouw spullen heeft meegenomen uit de echtelijke woning in december 2023, die in de schuur van haar ouders opgeslagen staan. De man hoeft niets van deze spullen, maar stelt wel dat de vrouw daarmee fors is overbedeeld zodat hij daarvoor een vergoeding wenst. De vrouw stelt dat zij deze spullen van de man mee moest nemen, en dat zij op uitdrukkelijke wens van de man nieuwe spullen hebben aangeschaft toen de vrouw in februari 2024 terugkeerde naar de woning. De vrouw wenst de inboedelgoederen, anders dan die hierboven onder b. zijn genoemd, bij helfte te verdelen.
De rechtbank overweegt dat ten aanzien van de overige inboedelgoederen enkel door de vrouw een inboedellijst is overgelegd als productie M. De man heeft tijdens de eerste zitting op 30 juli 2025 gesteld dat de lijst niet klopt en dat bijna alle inboedelgoederen bij de vrouw zijn. De man heeft zijn betwisting echter niet gemotiveerd en heeft verder ook geen eigen inboedellijst overgelegd. Bij gebrek aan andere verifieerbare stukken of informatie gaat de rechtbank daarom uit van de door de vrouw overgelegde inboedellijst. De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen om en om een inboedelgoed mogen kiezen van de door de vrouw als productie M opgestelde inboedellijst – inclusief de door de vrouw reeds meegenomen spullen en de geschenken – waarbij door middel van het opgooien van een munt (kop of munt) wordt bepaald welke partij als eerst mag kiezen.
Het staat partijen uiteraard vrij hierover in onderling overleg andere afspraken te maken, maar als zij daar niet uitkomen dan zal de verdeling plaatsvinden als hiervoor omschreven.
Ad c. de saldi van de bank- en spaarrekeningen
De rechtbank is gebleken dat de saldi van de volgende bank- en spaarrekeningen (in beginsel) in de gemeenschap vallen:
  • de bankrekening op naam van de vrouw met nummer [bankrekening 1]
  • de Oranje spaarrekening op naam van de vrouw met nummer [spaarrekening 1]
  • de Oranje spaarrekening op naam van de vrouw met nummer [spaarrekening 2]
  • de spaarrekening op naam van de man met nummer [spaarrekening 3]
  • de spaarrekening op naam van de man met nummer [spaarrekening 4]
  • de bankrekening op naam van de man met nummer [bankrekening 2]
De vrouw heeft gesteld dat de bankrekening op haar naam met rekeningnummer [bankrekening 3] is opgeheven, wat door de man onvoldoende is betwist, zodat deze bankrekening niet meer hoeft te worden betrokken in de verdeling. Verder zou er nog een bankrekening met rekeningnummer [bankrekening 4] op naam van de man zijn. Hij heeft dit niet betwist. Bij productie 17 is een afschrift te vinden waar deze bankrekening bij staat. Het saldo van deze bankrekening zal dus in beginsel ook moeten worden betrokken bij de verdeling.
De vrouw heeft als productie P bankafschriften van de op haar naam staande bank- en spaarrekeningen overgelegd op de peildatum (2 oktober 2024). Daaruit blijken de volgende saldi:
  • [bankrekening 1] : € 278,55
  • Oranje spaarrekening [spaarrekening 1] : € 34.000,-
  • Oranje spaarrekening [spaarrekening 2] : € 0,-
De man heeft als producties 9, 10, 11 en 13 bankafschriften overgelegd van de op zijn naam staande bank- en spaarrekeningen op verschillende data. Daaruit volgen de volgende saldi:
  • [spaarrekening 3] : € 1.022,77 op 31 juli 2023 en een onleesbaar saldo op 31 oktober 2024
  • [spaarrekening 4] : € 116.276,32 op 31 juli 2023 en € 105.980,- op 31 oktober 2024
  • [bankrekening 2] : € 330,34 op 30 juni 2023
De rechtbank stelt voorop dat partijen in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen zijn getrouwd. Na de huwelijkssluiting blijft het voorhuwelijkse privévermogen van de man en de vrouw privé. Zonder een nadere onderbouwing van en toelichting op de geldstromen op de bankrekeningen sinds de aanvang van het huwelijk behoren saldi op de peildatum echter tot de beperkte gemeenschap. Hoewel dat op de eerste zitting op 30 juli 2025 is verzocht, heeft de man geen bankafschriften meer in het geding gebracht met de saldi op zijn rekeningen op de datum van het huwelijk op 10 juli 2023 en op de peildatum op 2 oktober 2024. De saldi die hij wel heeft laten zien zijn van na het huwelijk (31 juli 2023) en van na de peildatum (31 oktober 2024), en zijn bovendien onvolledig. Hoewel de rechtbank het niet onaannemelijk acht dat privévermogen van de man ten bate van de gemeenschap is gekomen, kan de rechtbank dat aan de hand van de door hem overgelegde stukken niet dan wel onvoldoende vaststellen. Het enkele feit dat het saldo tussen de huwelijksdatum en de peildatum is afgenomen, levert bovendien – voor zover de man dat heeft bedoeld te stellen – nog geen vergoedingsrecht op jegens de gemeenschap.
De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende stukken overgelegd ten aanzien van haar bankrekeningen en door haar gedane uitgaven. Aan het door de man hieraan gekoppelde verzoek onder I. gaat de rechtbank daarom voorbij. Zij zal dit verzoek afwijzen.
De rechtbank zal verder bepalen dat ieder de hiervoor genoemde eigen bank- en spaarrekeningen voortzet onder verrekening van de saldi op de peildatum bij helfte. Partijen moeten elkaar over en weer volledig inzicht verschaffen in de saldi op de peildatum.
Ad d. de auto van het merk BMW
Uit een door de vrouw als productie Q overgelegd afschrift van de RDW blijkt dat door de man op 12 augustus 2024 een auto van het merk BMW is aangeschaft met kenteken [kenteken] . Uit datzelfde afschrift blijkt dat de registratie op 1 september 2024, dus voor de peildatum, is overgeschreven op naam van de broer van de man ( [naam] ). Dit terwijl de vrouw op 30 augustus 2024 aan de man heeft meegedeeld dat zij de echtscheiding zou gaan indienen. De man heeft hierover verklaard dat de auto een huwelijkscadeau was voor het 40-jarig huwelijksjubileum van zijn ouders, die op 27 augustus 1984 gehuwd zijn, en dat de auto is overgeschreven op naam van zijn broer in verband met het regelen van de verzekeringen. Ter onderbouwing hiervan heeft de man verklaringen van zijn ouders overgelegd.
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat het lease contract van de auto waarin de man reed is geëindigd in de periode dat hij de BMW heeft aangeschaft. Uit productie 21 van de man blijkt dat hij op 1 september 2024 voor het laatst een bedrag heeft overgemaakt voor de leasekosten. Tijdens de eerste zitting op 30 juli 2025 heeft de man verklaard dat hij sindsdien in een auto van kennissen rijdt. Tijdens de laatste zitting op 13 november 2025 verklaarde hij dat hij in de oude auto van zijn ouders rijdt. Gelet op deze inconsistente verklaringen en de overige feiten en omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat de man heeft geprobeerd de auto buiten de boedel te houden door middel van een schijnconstructie. De rechtbank zal de auto daarom wel betrekken in de verdeling. Voor de waarde van de auto gaat de rechtbank uit van het door de man als productie 38 overgelegde taxatierapport, waaruit een waarde blijkt van € 10.000,-. De rechtbank zal de auto toedelen aan de man, onder de verplichting om de helft van de waarde aan de vrouw te voldoen.
Ad e. het contante geld
De vrouw stelt dat partijen contact geld hebben ontvangen van bruiloftsgasten ter waarde van in totaal € 30.000,- en dat dit bedrag in een kluis van de ouders van de man ligt. Zij verzoekt te bepalen dat de man de helft van dit bedrag aan haar dient te voldoen. De man stelt dat het bedrag dat zij hebben ontvangen lager is, namelijk niet meer dan € 20.000,-, en dat het geld is uitgegeven aan kosten van het huwelijksfeest. De vrouw heeft dat betwist.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat zij contant geld hebben ontvangen op de bruiloft, zij twisten echter wel over de hoogte van het bedrag en of het bedrag al dan niet is uitgegeven. De vrouw heeft een transcript overgelegd van een telefoongesprek tussen haar en de man in december 2023, waarin de man erkent dat er 30 duizend euro bij zijn ouders thuis ligt. Hoewel de man aangeeft dat het transcript geen bewijsstuk is, heeft hij de inhoud van dat gesprek niet betwist. De rechtbank heeft ook geen reden om daar aan te twijfelen. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat het contante geld er nog is. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man de helft van het contante geld, namelijk € 15.000,-, aan de vrouw dient te voldoen.
Ad f. de gouden munt
Partijen zijn het erover eens dat de gouden munt, die partijen ter gelegenheid van het huwelijk van de werkgever van de vrouw hebben ontvangen, aan de vrouw kan worden toegedeeld zonder verrekening. De rechtbank zal aldus beslissen.
Ad g. de persoonlijke goederen, waaronder de gouden sieraden
De man heeft verzocht dat de vrouw zijn persoonlijke goederen, te weten een gouden halsketting met kruis, twee gouden sieradensets, parfums en een horloge, terug dient te geven.
De vrouw heeft aangegeven dat zij bereid is de gouden halsketting met kruis, parfums en het horloge terug te geven aan de man. Ten aanzien van de gouden sieradensets stelt zij dat dit persoonlijke cadeaus voor haar waren.
Nu de vrouw geen bezwaar heeft tegen teruggave van de hiervoor genoemde goederen, zal de rechtbank bepalen dat deze goederen aan de man toekomen. Ten aanzien van de gouden sieradensets overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw heeft foto’s overgelegd waarop de sieraden haar worden omgedaan en/of waarop zij sieraden draagt. Ook heeft zij verklaringen overgelegd van degenen die haar een deel van de sieraden cadeau hebben gedaan. Daarmee heeft zij naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat dit persoonlijke cadeaus waren. Dat deze gouden sieradensets gekocht zouden zijn als investering zodat partijen daarop terug konden vallen in moeilijke tijden, zoals de man heeft gesteld, is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal daarom bepalen dat de gouden sieradensets aan de vrouw toekomen.
Overige vorderingen / vergoedingsrechten
Ontvankelijkheid
Op 3 juni 2025 heeft de man een aanvullend verzoekschrift ingediend. De vrouw heeft primair gesteld dat de man niet ontvankelijk moet worden verklaard in deze aanvullende verzoeken, omdat deze vanwege de late indiening daarvan volgens haar in strijd zijn met de goede procesorde. De rechtbank gaat hieraan voorbij. De eerste zitting vond plaats op 30 juli 2025, zodat de aanvullende verzoeken door de man ruim voor de zitting zijn ingediend. De vrouw heeft bovendien op 18 juli 2025 een verweerschrift op de aanvullende verzoeken ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw dus voldoende gelegenheid gehad om op de aanvullende verzoeken te reageren. De rechtbank zal de man daarom wel ontvangen in zijn aanvullende verzoeken en zal deze in het hiernavolgende beoordelen.
Vorderingen/vergoedingsrechten
De man stelt dat de saldi op zijn bankrekeningen gedurende het huwelijk alleen maar zijn afgenomen, en dat de volledige saldi van zijn bankrekeningen zijn terug te voeren op voorhuwelijks vermogen. De man stelt dat hij voor het verschil tussen de begin- en eindsaldi op zijn rekeningen een vergoedingsrecht heeft tegenover de gemeenschap. Hij heeft dat per onderdeel uiteen gezet, waaraan hij de verschillende vorderingen/vergoedingsrechten heeft gekoppeld. De rechtbank zal deze vorderingen/vergoedingsrechten hierna per onderdeel bespreken en beoordelen.
Vorderingen/vergoedingsrechten vóór het huwelijk
De man stelt dat hij vorderingen heeft jegens de vrouw in verband met door hem met privévermogen betaalde kosten voorafgaand aan het huwelijk waarvoor de vrouw volgens hem voor de helft draagplichtig is. De rechtbank beoordeelt deze vorderingen hierna per onderdeel aan de hand van het algemene verbintenissenrecht (Boek 6 BW).
Woonlasten, kosten koper en taxatie
De man stelt dat hij een vordering heeft jegens de vrouw in verband met door hem betaalde woonlasten (hypotheek, VvE bijdrage en verplichte verzekeringen) vanaf de aankoop van de echtelijke woning op 12 mei 2023 tot het huwelijk op 29 juli 2023. Het gaat om een bedrag van in totaal € 4.962,69 waarvoor de vrouw volgens de man voor de helft draagplichtig is. Daarnaast stelt de man dat hij de kosten van de notaris, het hypotheekadvies en de taxatie van € 3.374,47 heeft voldaan uit privévermogen, terwijl de vrouw ook voor de helft van deze kosten draagplichtig is. Het gaat immers om een gemeenschappelijke woning.
De vrouw stelt dat partijen hadden afgesproken dat de man de door hem genoemde kosten zou voldoen, omdat zij de kosten van de aanschaf van de inboedel voor haar rekening zou nemen. Om deze reden kan de man volgens haar geen aanspraak maken op terugbetaling van de helft van de door hem betaalde kosten.
De rechtbank overweegt dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de echtelijke woning en dat zij op die grond hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens de hypotheekverstrekker voor (af)betaling van de hypotheekschuld, alsmede voor de overige aan (de aankoop van) die woning verbonden kosten. Het enkele feit dat de vrouw inboedel heeft aangeschaft en daarvoor betalingen heeft gedaan kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat de vrouw ervan uit mocht gaan dat zij niet draagplichtig was voor deze kosten. Dat partijen hierover een afspraak hebben gemaakt, zoals de vrouw heeft gesteld maar verder niet heeft onderbouwd, is bovendien niet komen vast te staan.
Op basis van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de man een regresvordering heeft van [(€ 4.962,69 + € 3.374,47) : 2 =] € 4.168,58 jegens de vrouw voor de door de man gedane lasten verband houdende met de gemeenschappelijke woning voorafgaande aan het huwelijk. De rechtbank zal aldus beslissen.
Kosten huwelijksfeest
De man stelt dat hij een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw op grond van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:2 lid 1 BW in verband met de door hem betaalde de kosten van het huwelijksfeest van in totaal € 17.121,90, ter onderbouwing waarvan hij als productie 17 betaalbewijzen heeft overgelegd.
De vrouw erkent dat de man de kosten van het huwelijk en de huwelijksreis heeft betaald, maar heeft gesteld dat dit gebruikelijk is in de cultuur van partijen. Daarnaast stelt de vrouw dat partijen hadden afgesproken dat zij de kosten van de verloving zou voldoen en de man de kosten van het huwelijk. Volgens de vrouw dient het verzoek van de man dan ook te worden afgewezen.
De rechtbank overweegt als volgt. Duidelijk is dat beide partijen vlak voor het huwelijk aanzienlijke kosten hebben gemaakt die verband houden met de verloving en het huwelijksfeest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man geen bijzondere feiten en omstandigheden naar voren gebracht die naar maatstaven en redelijkheid en billijkheid meebrengen dat er een vergoedingsrecht is ontstaan van hem jegens de vrouw. Niet gebleken is dat partijen hierover specifieke afspraken hebben gemaakt, of dat het de bedoeling was dat de vrouw de helft of een ander deel van deze kosten alsnog zou moeten voldoen. De rechtbank zal dit verzoek van de man daarom afwijzen.
Goud
De man stelt dat hij voorafgaand aan het huwelijk gouden sieradensets en gouden ringen voor in totaal € 7.900,- heeft gekocht, als investering zodat partijen daarop zouden kunnen terugvallen in moeilijke tijden. Op de zitting van 13 november 2025 heeft de man aangegeven dat de vrouw de trouw- en verlovingsringen mag houden. De man vordert primair de helft van de gouden sieradensets, dan wel de helft van de dagwaarde hiervan, en subsidiair de gekochte sets plus het kruis, dan wel de helft van de dagwaarde hiervan, van de vrouw. Hij baseert zijn vordering op ongerechtvaardigde verrijking als bedoeld in artikel 6:212 BW en de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:2 BW.
De rechtbank heeft hiervoor bij de verdeling onder ad g. de persoonlijke goederen, waaronder de gouden sieraden, al overwogen dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd dat de gouden sieradensets persoonlijke cadeaus waren, op basis waarvan de rechtbank de gouden sieradensets aan haar zal toedelen. Het gouden kruis wordt aan de man toegedeeld.
Op de man rust de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die tot een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking en de redelijkheid en billijkheid leiden. De man is daarin, mede gelet op hetgeen hiervoor ad g. is overwogen, niet geslaagd. De rechtbank zal daarom ook deze vordering afwijzen.
Vorderingen/vergoedingsrechten tijdens het huwelijk
De man stelt dat hij vorderingen heeft jegens de vrouw in verband met door hem met privévermogen betaalde kosten tijdens het huwelijk waarvoor de vrouw volgens hem voor de helft draagplichtig is. De rechtbank beoordeelt deze vorderingen hierna per onderdeel aan de hand van titel 6 en titel 7 van Boek 1 BW.
Kosten zaalhuur
De man stelt dat hij een vergoedingsrecht heeft in verband met het door hem op 27 juli 2023 betaalde bedrag van € 13.000,- voor de huur van de trouwzaal. De man stelt dat dit bedrag is voldaan uit zijn voorhuwelijkse vermogen. Hij verzoekt de vrouw te veroordelen om de helft van de zaalhuur aan hem terug te betalen.
De vrouw erkent dat de man deze kosten heeft voldaan, maar stelt dat dit gebruikelijk is in de cultuur van partijen, zodat geen vergoedingsrecht ontstaat.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man zijn verzoek onvoldoende onderbouwd. De man heeft als productie 19 enkel een summier betalingsbewijs overgelegd, waaruit niet duidelijk afgeleid kan worden van welke bankrekening dit bedrag betaald is. Bovendien is dit ook niet voldoende om aan te tonen dat deze kosten zouden zijn voldaan uit voorhuwelijks vermogen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de man ter zake van de zaalhuur geen vergoedingsrecht heeft.
Woonlasten
De man stelt dat hij een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw voor de helft van de door hem met privévermogen betaalde woonlasten (hypotheekrente, hypotheekaflossing, VvE bijdrage, gemeentebelasting, verzekeringen en de gebruikerslasten) over de periode juli 2023 tot en met januari 2024 en september 2024. Het gaat volgens de man om een bedrag van in totaal € 19.316,96. De man stelt dat hij gedurende het huwelijk meer heeft bijgedragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, terwijl de vrouw nauwelijks heeft bijgedragen.
De vrouw betwist de stellingen van de man en stelt zich op het standpunt dat zij wel degelijk heeft bijgedragen in de woonlasten, en zelfs meer dan naar rato redelijk zou zijn geweest.
Volgens de vrouw heeft de man dan ook geen vergoedingsrecht.
De rechtbank overweegt dat beide partijen hebben aangetoond dat zij tijdens het huwelijk bedragen ten behoeve van de woonlasten hebben afgelost. Deze lasten zijn betaald van bankrekeningen, die ook tot de gemeenschap behoren. Saldi op bankrekeningen tijdens het huwelijk behoren immers, behoudens tegenbewijs, tot het gemeenschappelijk vermogen. Zoals hiervoor onder ‘ad c. de saldi van de bank- en spaarrekeningen’ al is overwogen is door de man onvoldoende aangetoond dat de saldi op zijn bankrekeningen volledig zijn terug te voeren op voorhuwelijks vermogen. Van betaling van de woonlasten met privévermogen is dus geen sprake, dus evenmin van een vergoedingsrecht van de man jegens de vrouw voor de gedurende het huwelijk betaalde woonlasten. De rechtbank zal dit vergoedingsrecht van de man daarom afwijzen.
Overige grote uitgaven
De man stelt dat hij verschillende grote uitgaven heeft gedaan gedurende het huwelijk, waaronder vakantiekosten, leasekosten van de auto en uitjes van in totaal € 12.000,-. Hij verzoekt de vrouw te veroordelen om de helft van deze kosten alsnog aan hem te voldoen.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij ook heeft bijgedragen in voornoemde kosten, zodat het verzoek van de man dient te worden afgewezen.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de artikelen 1:81 en 1:84 BW zijn echtgenoten gehouden elkaar naar rato het nodige te verschaffen. Voor zover er tijdens het huwelijk kosten zijn betaald ten behoeve van de huishouding, dienen deze betaald te worden uit het gemeenschappelijke inkomen, naar rato van het inkomen van de man en de vrouw. De door de man genoemde uitgaven vallen naar het oordeel van de rechtbank onder de kosten van de huishouding. De rechtbank oordeelt dat de man en de vrouw beiden voldoende hebben aangetoond tijdens het huwelijk – naar rato – te hebben bijgedragen in deze kosten van de huishouding. Met het overleggen van (enkele) betaalbewijzen toont de man bovendien nog niet aan dat de betaalde lasten niet conform artikel 1:84 BW zijn gedaan. De rechtbank zal dit verzoek van de man daarom afwijzen.
Vorderingen na ontbinding beperkte gemeenschap
Woonlasten
De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw ook na indiening van het verzoekschrift verantwoordelijk blijft om de helft van de aan de woning verbonden lasten te voldoen, bestaande uit de hypotheekrente, de hypotheekaflossing, de VvE bijdrage, onroerend zaakbelasting en verzekeringen van in totaal € 2.186,68 per maand. De kosten voor gas-water-licht voldoet de man. De man stelt een vergoedingsrecht te hebben jegens de vrouw voor de helft van deze lasten van oktober 2024 tot heden, waarop de reeds door de vrouw verrichte betalingen in mindering kunnen worden gebracht.
De vrouw stelt dat zij sinds 2 oktober 2024 de helft van de hypotheeklasten betaalt. De overige vaste lasten dienen volgens de vrouw voor rekening van de man te komen, aangezien de man het voorlopig gebruik van de echtelijke woning heeft. De vrouw betaalt bovendien ook € 500,- per maand aan kosten voor inwoning bij haar ouders.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw voldoende heeft aangetoond dat zij ook na de peildatum is blijven bijdragen aan de rente en aflossing van de hypotheek met € 918,- per maand, dit is precies de helft van het termijnbedrag van € 1.836,- per maand zoals blijkt uit productie 20 van de man. De vrouw heeft niet betwist dat zij niet heeft bijgedragen aan de overige lasten (VvE bijdrage, onroerend zaakbelasting en verzekeringen) van € 350,68 per maand, waarvoor zij ook voor de helft draagplichtig is tot de levering van de woning aan de vrouw, de man dan wel een derde. Aan de man komt dan ook een regresvordering toe voor een bedrag van (350,68 : 2 =) € 175,34 per maand van oktober 2024 tot de levering van de woning aan de vrouw, de man dan wel een derde.
Vakantie naar [land]
De man stelt dat hij een regresvordering heeft jegens de vrouw voor de helft van de door hem met privévermogen betaalde vakantie naar [land] van € 2.500,-, welk bedrag is voorgeschoten door de broer en schoonzus van de man.
Volgens de vrouw had de man haar deze vakantie cadeau had gedaan, en is zij uiteindelijk niet mee geweest op vakantie. De man heeft deze vordering onvoldoende onderbouwd en moet volgens de vrouw dan ook worden afgewezen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man zijn vordering, mede gelet op de betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.
Pensioen
Volgens de vrouw dient te worden overgegaan tot pensioenverevening. Door de man is hiertegen geen verweer gevoerd.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:155 BW na echtscheiding recht bestaat op pensioenverevening overeenkomstig de Wet Verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS), tenzij de echtgenoten op de wijze voorzien in deze wet toepasselijkheid hebben uitgesloten. Omdat hiervan geen sprake is zal niet worden afgeweken van de in artikel 2 lid 1 WVPS opgenomen standaardregeling dat de ene echtgenoot, in geval van scheiding en voor zover de andere echtgenoot pensioenaanspraken heeft opgebouwd, overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet recht heeft op pensioenverevening. De rechtbank gaat ervanuit dat partijen hiertoe zullen overgaan en de relevante gegevens zullen uitwisselen. Nu de verplichting tot verevening reeds volgt uit de wet zal de rechtbank het verzochte ten aanzien van het pensioen echter bij gebrek aan belang afwijzen.
Proceskosten
De vrouw heeft haar verzoek om de man te veroordelen in de proceskosten niet onderbouwd. De rechtbank ziet daarvoor in deze procedure ook geen aanleiding. De rechtbank zal dat verzoek van de vrouw dan ook afwijzen, en zal de proceskosten zoals gebruikelijk in procedures van familierechtelijke aard compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt de verdeling van de ontbonden beperkte gemeenschap van goederen als volgt vast:
1. met betrekking tot de woning, gelegen aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats 1] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening(en) bij Florius:
1.1.
de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de man aan de vrouw binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren en zo nodig te verkopen, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde van de woning, inclusief de onder
ad b. inboedelopgesomde roerende zaken, vaststellen waartegen de vrouw de woning zal overnemen;
b) de vrouw dient binnen twee maanden na de taxatie aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(en) ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw, als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
1.2.
indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder de onder 1 genoemde voorwaarden dan wordt de woning toegedeeld aan de man op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als genoemd onder 1, waarbij geldt dat waar man staat moet worden gelezen vrouw en omgekeerd;
1.3.
indien geen van partijen de woning kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen verstrekken binnen één week nadat de onder 2) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(en) ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2. bepaalt dat partijen de inboedelgoederen in onderling overleg zullen verdelen, op de wijze zoals is omschreven in het lichaam van deze beschikking onder het kopje ‘ad 2. de inboedel’;
3. bepaalt dat partijen ieder gerechtigd zijn tot de helft van de saldi van de volgende bankrekeningen op de peildatum:
  • de bankrekening op naam van de vrouw met nummer [bankrekening 1] ;
  • de Oranje spaarrekening op naam van de vrouw met nummer [spaarrekening 1] ;
  • de Oranje spaarrekening op naam van de vrouw met nummer [spaarrekening 2] ;
  • de spaarrekening op naam van de man met nummer [spaarrekening 3] ;
  • de spaarrekening op naam van de man met nummer [spaarrekening 4] ;
  • de bankrekening op naam van de man met nummer [bankrekening 2] ;
en verstaat dat de vrouw de bankrekeningen op har naam zal voortzetten en dat de man de bankrekeningen op zijn naam zal voortzetten;
4. aan de man worden toegedeeld:
4.1.
de gouden halsketting met kruis, de parfums en het horloge, zonder verrekening;
4.2.
de auto van het merk BWM met kenteken [kenteken] voor € 10.000,-, onder verrekening van de helft van de waarde met de vrouw;
5. aan de vrouw worden toegedeeld:
5.1.
de gouden munt, zonder verrekening;
5.2.
de gouden sieradensets, zonder verrekening;
6. bepaalt dat de man de helft van het in de kluis van zijn ouders aanwezige contante geld dat partijen van bruiloftsgasten hebben ontvangen van € 30.000,-, dus € 15.000,-, aan de vrouw dient te voldoen;
*
bepaalt dat de vrouw aan de man moet voldoen een bedrag van in totaal € 4.168,58 in verband met de door de man betaalde lasten verband houdende met de gemeenschappelijke woning voorafgaande aan het huwelijk;
*
bepaalt dat de vrouw aan de man over de periode van 2 oktober 2024 tot de levering van de woning aan de vrouw, de man dan wel een derde, moet voldoen een bedrag van € 175,34 per maand in verband met de VvE bijdrage, onroerend zaakbelasting en verzekeringen;
*
en verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, rechter, bijgestaan door mr. M.I. Noordegraaf als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 december 2025.