ECLI:NL:RBDHA:2025:26327

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 januari 2026
Zaaknummer
C/09/676404 / FA RK 24-8541
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en verdeling huwelijksgemeenschap

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 11 december 2025 een beschikking gegeven in een echtscheidingsprocedure tussen een vrouw en een man, die op [datum] 2018 in [plaats 1], [land] zijn gehuwd. De vrouw heeft verzocht om echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen, kinderalimentatie en de verdeling van de huwelijksgemeenschap. De rechtbank heeft vastgesteld dat beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, waardoor de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen bij de vrouw vastgesteld. De rechtbank heeft ook de kinderalimentatie vastgesteld op € 400,- per maand voor de periode van 26 november 2024 tot 11 december 2025, en € 264,- per kind per maand met ingang van 11 december 2025. Daarnaast heeft de rechtbank de verdeling van de huwelijksgemeenschap beoordeeld, waarbij de activa en passiva van de gemeenschap zijn verdeeld. De vrouw heeft de Mercedes Benz en de e-scooter toegewezen gekregen, terwijl de man de Renault Twingo en de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. heeft gekregen. De rechtbank heeft ook de verplichtingen van beide partijen met betrekking tot de schulden en de alimentatie vastgesteld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8541 (echtscheiding)
FA RK 25-3229 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/676404 (echtscheiding)
C/09/684591 (verdeling)
Datum beschikking: 11 december 2025

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 26 november 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

volgens de huwelijksakte: [de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Bağci-Çiçek te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Barou te Utrecht.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 17 december 2024 van de vrouw, met bijlage;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 6 mei 2025 van de vrouw;
- het F9-formulier van 10 november 2025 van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 10 november 2025 van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 12 november 2025 van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 19 november 2025 van de man, met bijlagen.
Op 20 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw met haar advocaat en stagiaire mr. G. Kojak;
  • de man met zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2018 te [plaats 1] ( [land] ).
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats 2] .
- De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De vrouw is burger van de [land] en de man en de kinderen hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw, zoals dat na wijziging nu nog luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
- vaststelling van de door partijen ter zitting overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, waaronder ook de verdeling van de (school)vakanties, (Islamitische) feestdagen en bijzondere dagen;
- vaststelling van kinderalimentatie van € 1.906,- per maand per kind door de man aan de vrouw te betalen, althans een bijdrage die de rechtbank in goede justitie juist acht, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van datum verzoekschrift;
- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van
€ 664,- bruto per maand, € 419,- netto per maand, althans een bijdrage die de rechtbank in goede justitie juist acht, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van datum verzoekschrift;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de vrouw;
- voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel;
- bepaling dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de schulden die op de peildatum aanwezig zijn en die zijn ontstaan na aanvang van de beperkte gemeenschap, waaronder de schuld bij DEFAM B.V. met contractnummer [nummer 1] ;
- bepaling dan wel voor recht te verklaren dat op grond van de Mehir overeenkomst tussen partijen de man aan de vrouw dient af te geven 200 gram goud, dan wel een bedrag van € 20.000,- zijnde de waarde van 200 gram goud aan de vrouw dient te vergoeden, alsmede haar bedevaartreis dient te vergoeden;
- de man op grond van artikel 843a Rv te gelasten om inzage te verlenen in de bij- en afschrijvingen van zijn bovengenoemde bankrekeningen, door het overleggen van zijn bankafschriften over de afgelopen zes maanden vóór peildatum, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 15.000,- indien de man geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft;
- de man op grond van 843a Rv te gelasten om inzage te verlenen in de bij- en afschrijvingen van zijn bank- en/of rekeningen met IBAN [rekeningnummer] , door het overleggen van zijn bankafschriften over de afgelopen zes maanden vóór peildatum, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 15.000,- indien de man geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft;
- vast te stellen dat de man ten aanzien van de belastingschuld ter grootte van
€ 41.211,- voor de helft, te weten € 20.605,- draagplichtig is,
- vaststelling dan wel voor recht te verklaren dat op grond van de Mehir overeenkomst tussen partijen de man aan de vrouw dient af te geven 200 gram goud, dan wel een bedrag van € 20.000,- zijnde de waarde van 200 gram goud aan de vrouw dient te vergoeden, alsmede haar bedevaartreis dient te vergoeden,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de man na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
- vaststelling van de door partijen ter zitting overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, waaronder ook de verdeling van de (school)vakanties, (Islamitische) feestdagen en bijzondere dagen;
- vaststelling van kinderalimentatie van € 244,- per maand, zijnde € 122,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de man;
- de vrouw op grond van artikel 843a Rv te verplichten haar volledige inkomensgegevens, inclusief de jaarrekening van [bedrijfsnaam 1]
,in het geding te brengen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert – onder referte voor de vakantie en feestdagenverdeling met de aanvulling dat dit altijd in onderling overleg zal plaatsvinden – thans nog verweer tegen het overige, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beide partijen hebben op de zitting hun verzoeken op grond van 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingetrokken, zodat de rechtbank daar niets meer op te beslissen heeft.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.
De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Rechtsgeldigheid huwelijk
In het kader van een echtscheiding waarbij het huwelijk van partijen in het buitenland is voltrokken, dient de rechtbank ambtshalve de vraag te beantwoorden of dit huwelijk op grond van artikel 10:31 BW erkend wordt in Nederland. De beantwoording van deze vraag is van belang, omdat een buitenlands huwelijk dat naar Nederlands recht niet wordt erkend, door de Nederlandse rechter niet kan worden ontbonden.
Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk wordt erkend wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 eerste lid BW). Het vierde lid van artikel 10:31 BW bepaalt dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.
Uit het uittreksel van de huwelijksakte blijkt dat partijen op [datum] 2018 in [plaats 1] , [land] zijn getrouwd. Gelet hierop wordt op grond van het vierde lid van artikel 10:31 BW vermoed dat het huwelijk tussen partijen rechtsgeldig is voltrokken, zodat het tussen de man en de vrouw in [plaats 1] , [land] gesloten huwelijk voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. Van omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het huwelijk van partijen niet voor erkenning vatbaar is, zoals bedoeld in artikel 10:32 BW, is niet gebleken. Nu het huwelijk aldus in Nederland wordt erkend, kan de rechtbank overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot echtscheiding.
Ontvankelijkheid
Partijen hebben geen ouderschapsplan ingediend zoals wettelijk is vereist. Toch zal de rechtbank het verzoek tot echtscheiding beoordelen, omdat het partijen voorafgaand aan de zitting niet gelukt was om op alle punten ten aanzien van de zorg voor de kinderen tot overeenstemming te komen.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en hebben beiden een verzoek tot echtscheiding gedaan. Deze verzoeken tot echtscheiding kunnen als op de wet gegrond worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasslijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen.
Inhoudelijke beoordeling
Beide partijen hebben verzocht de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw te bepalen. De rechtbank zal deze verzoeken over en weer toewijzen.
Zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Inhoudelijke beoordeling
Voorafgaand aan de zitting zijn partijen het eens geworden over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen. De vrouw heeft ingestemd met het voorstel van de man, met de kanttekening dat de kinderen tot maandag 18.30 uur bij de man zullen zijn in plaats van tot 19.00 uur. De man heeft hiermee ingestemd. Ook zijn partijen het eens geworden over de verdeling van de (school)vakanties en de feestdagen, in die zin dat de vrouw heeft ingestemd met het voorstel van de man. De rechtbank zal de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen conform de bereikte overeenstemming van partijen vastleggen.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt, voor zover daarvan hierna niet wordt afgeweken. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum en twee perioden
De rechtbank zal de ingangsdatum van de kinderalimentatie bepalen op de datum indiening verzoekschrift en niet op de datum van deze beschikking. Partijen zijn namelijk al sinds september 2024 feitelijk uit elkaar, terwijl de man tot op heden geen bijdrage voor de kinderen aan de vrouw heeft betaald en de vrouw bovendien nog geen aanspraak heeft kunnen maken op een kindgebonden budget en toeslagen die in overeenstemming zijn met haar inkomen. De man was immers nog ingeschreven op het adres van de echtelijke woning.
De rechtbank ziet daarin voorts aanleiding om rekening te houden met twee verschillende perioden voor het vaststellen van kinderalimentatie: vanaf de datum indiening verzoekschrift tot aan de datum van deze beschikking (periode 1) en met ingang van deze beschikking (periode 2). De rechtbank gaat ervan uit dat de man zich nu uitschrijft van het adres van de echtelijke woning, zodat de vrouw aanspraak kan maken op het kindgebonden budget en de toeslagen berekend op basis van uitsluitend haar eigen inkomen.
Periode 1 (26 november 2024 tot 11 december 2025)
De kinderen zijn ook in deze periode de helft van de tijd bij ieder van partijen geweest. Beide ouders geven aan in die periode kosten voor de kinderen te hebben voldaan en gesteld noch gebleken is dat de vrouw meer kosten voor haar rekening heeft genomen dan de man, met uitzondering van de oppaskosten die de vrouw stelt te hebben betaald. Gelet hierop acht de rechtbank het niet passend om voor deze periode een kinderalimentatie vast te stellen op basis van een in overeenstemming met de aanbevelingen van de expertgroep berekende behoefte. Omdat de vrouw werkt op in ieder geval een aantal dagen dat zij ook de zorg voor de kinderen heeft, is het naar het oordeel van de rechtbank redelijk dat de man de helft van de oppaskosten draagt die de vrouw in deze periode heeft gemaakt.
De vrouw heeft gesteld dat de oppaskosten voor beide kinderen € 1.200,- per maand bedroegen. De man heeft de hoogte van het bedrag weersproken, maar op zitting aangegeven dat hij zich kan voorstellen dat dit wel € 800,- per maand was. Omdat de vrouw het door haar genoemde bedrag niet voldoende heeft onderbouwd, stelt de rechtbank de kosten vast op het door de man genoemde bedrag.
De rechtbank is van oordeel dat de man de helft van deze kosten, derhalve een bedrag van € 400,- per maand, aan de vrouw moet betalen. Zoals uit de hierna opgenomen draagkrachtberekening voor periode 2 blijkt, kan de man worden geacht ruimschoots voldoende draagkracht te hebben gehad om dit bedrag naast de verblijfskosten en een deel van de verblijfsoverstijgende kosten te voldoen. De uitgangspunten voor een berekening van de draagkracht van de man in deze periode, verschillen immers niet substantieel van periode 1 zodat er geen aanleiding is om een aparte berekening te maken.
De rechtbank bepaalt daarom dat de man vanaf de datum van indiening van dit verzoekschrift tot aan de datum van deze beschikking aan de vrouw nog € 400,- per maand moet betalen uit hoofde van kinderalimentatie.
Periode 2 (met ingang van 11 december 2025)
Vanaf de datum beschikking zal de rechtbank uitgaan van de gebruikelijke wijze van berekening van kinderalimentatie conform de aanbevelingen van de expertgroep.
Behoefte
Voor de berekening van de behoefte zal de rechtbank uitgaan van de aanbevelingen uit 2024, omdat partijen in september 2024 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. In het rapport 2024 is de behoefte van twee kinderen gemaximeerd op € 1.470,- per maand bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 6.000,- per maand of meer. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt dit € 1.566,- per maand voor twee kinderen.
Tussen partijen is niet in geschil dat hun gezamenlijke netto besteedbaar inkomen hoger was dan € 6.000.
De vrouw stelt dat het behoeftebedrag hoger moet worden bepaald, maar heeft dat niet nader toegelicht afgezien van haar stelling dat de maandelijkse kinderopvangkosten die voor de kinderen gemaakt moeten worden behoefteverhogend zijn. Zij heeft de zorg voor de kinderen iedere week van maandagavond tot vrijdag 14.30 uur. Van deze dagen werkt zij dinsdag tot en met donderdag. De vrouw heeft in de stukken aangevoerd dat de kinderopvangkosten voor beide kinderen afgerond € 2.655,- per maand bedragen. Zij heeft daarnaast een proefberekening overgelegd van de door haar te ontvangen kinderopvangtoeslag als de man zich van het adres van de echtelijke woning uitschrijft. Hieruit volgt een kinderopvangtoeslag van € 1.831,- per maand. Dit resulteert in netto kosten kinderopvang van € 824,- per maand.
De rechtbank stelt bij de beoordeling hiervan voorop dat in het tabelbedrag alle normale kosten zijn begrepen. De ‘normale’ kosten van de kinderopvang worden dus geacht te zijn verwerkt in het tabelbedrag. Zodanige hoge kosten voor kinderopvang/-oppas in verband met de verwerving van inkomsten die niet (volledig) gecompenseerd worden door lagere uitgaven op andere posten, kunnen leiden tot een correctie op het tabelbedrag.
De rechtbank is van oordeel dat vrouw voldoende heeft onderbouwd waarom de door haar netto gemaakte opvangkosten niet geacht kunnen worden volledig te zijn verdisconteerd in het tabelbedrag en niet gecompenseerd worden door lagere uitgaven op andere posten. De rechtbank ziet aanleiding om naar redelijkheid de behoefte van de kinderen te verhogen met € 400,- per maand aan kinderopvangkosten.
De behoefte van de kinderen in 2025 bedraagt met verhoging van de hiervoor genoemde kinderopvangkosten € 1.966,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht man
De man werkte lange tijd als ZZP’er in de zorg vanuit zijn eenmanszaak. Eind 2023 heeft hij deze eenmanszaak omgezet naar een B.V. vanwege fiscale redenen. De man is directeur-grootaandeelhouder (DGA) van [bedrijfsnaam 2] B.V., waar een werkmaatschappij genaamd N&I Care B.V. bij hoort. De man heeft alleen de jaarstukken van 2024 van zijn B.V. overgelegd. Ter zitting is gebleken dat de man bewust de stukken van de eenmanszaak van de jaren daarvoor niet heeft overgelegd, omdat dit mogelijk een verkeerd beeld zou scheppen. Zijn inkomen in de jaren daarvoor was namelijk hoger, maar een dergelijk hoog inkomen is volgens de man niet meer bereikbaar als gevolg van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet Dba). De man stelt dat naast zijn DGA-salaris voor zijn draagkracht uitgegaan moet worden van een dividenduitkering van € 30.000,-. Op de winst uit onderneming (in december 2023 en 2024 vanuit de holding: € 71.513,- te vermeerderen met € 26.739,- uit de werkmaatschappij) moet een correctie plaatsvinden voor winst van € 12.000,- omdat de cijfers betrekking hebben op 13 maanden, en voorzieningen aan te wenden voor zijn ouderdomspensioen (€ 20.000,-), arbeidsongeschiktheid (€ 20.000,-) en onvoorziene kosten (€ 15.000,-).
De vrouw stelt dat voor zijn draagkracht uitgegaan moet worden van de management fee van € 156.240,- per jaar die de werkmaatschappij aan de holding jaarlijks uitkeert.
De rechtbank volgt dat standpunt niet, omdat daarbij geen rekening wordt gehouden met de verschuldigde vennootschapsbelasting en overige gebruikelijke lasten.
Voor de berekening van zijn draagkracht zal de rechtbank uitgaan van het DGA-salaris in 2025 van € 56.000,- per jaar te vermeerderen met een dividenduitkering van € 40.000,- per jaar. Dat is hoger dan waar de man zelf vanuit gaat, maar de rechtbank acht dat redelijk. De rechtbank gaat ervan uit dat dit een bestendig inkomen is en dat de deregulering voor de man geen ernstigere financiële gevolgen zal hebben. Terwijl de Wet Dba al in werking was, heeft de man er zelf voor gekomen om zelfstandig te blijven. Bovendien heeft hij de rechtbank bewust geen inzage heeft gegeven in zijn inkomen uit eerdere jaren terwijl hij heeft erkend dat dat inkomen fors hoger was.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 5.887,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan € 1.968,- per maand.
Draagkracht vrouw
Door de vrouw zijn salarisstroken overgelegd waaruit blijkt dat de vrouw een brutoloon heeft van afgerond € 6.594,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.
De man stelt dat zij ook een eindejaarsuitkering ontvangt van 8,5% van haar bruto jaarloon, inclusief vakantiegeld. De rechtbank zal hier rekening mee houden, nu uit de CAO Jeugdzorg blijkt dat zij hier aanspraak op heeft en uit de loonstrook van de vrouw van december 2024 volgt dat zij dit toen ook heeft ontvangen. De rechtbank berekent de eindejaarsuitkering op afgerond € 7.264,- (€ 6.594,- x 12 x 1,08 x 0,085).
Daarnaast heeft de man aangevoerd dat de vrouw een hogere verdiencapaciteit heeft, omdat zij nu 28 uur per week werkt en de man van mening is dat de vrouw daarnaast nog werkzaamheden kan verrichten vanuit haar eenmanszaak. De vrouw betwist dat zij meer inkomen kan genereren, omdat zij nu al het maximale werkt op de dagen dat de kinderen naar de opvang gaan.
De rechtbank gaat voorbij aan dit standpunt van de man. De vrouw werkt nu 28 uur per week en tijdens het huwelijk was dit 24 uur per week. Zij is dus al meer uren gaan werken per week. De rechtbank is van oordeel dat van haar niet verwacht kan worden dat zij nog meer werkt, mede gelet op de leeftijd van de kinderen en de co-ouderschapsregeling die de ouders uitvoeren waarbij de kinderen de meeste doordeweekse (werk)dagen bij de vrouw zijn.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens. Zoals hiervoor overwogen, gaat de rechtbank ervanuit dat de vrouw vanaf datum van deze beschikking aanspraak op kindgebonden budget maakt dat passend is bij haar eigen inkomen.
De rechtbank houdt verder rekening met:
  • de pensioenpremie van afgerond € 783,- per maand;
  • de premie PAWW van afgerond € 6,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 5.200,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw ook hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 1.631,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 3.599,- per maand (€ 1.968 + € 1.631). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.968 / 3.599 x 1.966 = € 1.075
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.631 / 3.599 x 1.966 =
€ 891
samen € 1.966
Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 1.075,- per maand, wat neerkomt op € 538,- per maand per kind, voor rekening van de man. Een gedeelte van € 891,- per maand, wat neerkomt op € 445,- per maand per kind, komt voor rekening van de vrouw.
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkorting van 35%. De zorgkorting wordt berekend over de tabelbehoefte van € 1.566,- per maand. De zorgkorting bedraagt dan € 548,- per maand (35% van € 1.566). De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie bedraagt dan € 527,- per maand (€ 1.075 -/- € 548), te weten afgerond € 264,- per kind per maand. De rechtbank zal dit bedrag vastleggen per datum van deze beschikking.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het alimentatieverzoek.
Op het verzoek tot alimentatie voor de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft verzocht om een bijdrage van € 664,- per maand aan partneralimentatie door de man aan haar te betalen. De vrouw heeft haar behoefte en haar aanvullende behoefte niet anders onderbouwd dan door toepassing van de hofnorm.
De rechtbank ziet, voor zover de man al draagkracht zou hebben voor partneralimentatie, geen aanleiding om een bijdrage vast te stellen in het levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank overweegt in dit verband dat uit de berekening van de draagkracht in het kader van de kinderalimentatie blijkt dat partijen beschikken over een min of meer vergelijkbaar maandelijks inkomen. Daarmee worden beide partijen geacht in staat te zijn om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. In dit licht had het op de weg van de vrouw gelegen om te onderbouwen dat zij hiertoe niet of niet volledig in staat zou zijn. Een enkele onderbouwing met de hofnorm is in deze situatie daarvoor onvoldoende. De rechtbank merkt daarbij bovendien op dat de vrouw bij haar berekening van haar aanvullende behoefte is uitgegaan van een te laag inkomen aan haar zijde. [1] De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen.
Verdeling huwelijksgemeenschap en daarmee verband houdende verzoeken
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen. Evenmin hebben de echtgenoten een gemeenschappelijke nationaliteit in de zin van artikel 15 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (het Verdrag). Hoewel de vrouw voor het eerst sinds 20 oktober 2021 in de Basisregistratie Personen op het adres van de echtelijke woning geregistreerd staat, hebben partijen op de zitting verklaard dat de vrouw feitelijk sinds maart 2019 in Nederland verblijft en het eerste huwelijksdomicilie van partijen dus in Nederland was. Op grond van artikel 4, eerste lid, van het Verdrag wordt het huwelijksvermogensregime van partijen daarom beheerst door het Nederlands recht.
Inhoudelijke beoordeling
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Zij zijn op of na 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond.
De rechtbank overweegt dat nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum
26 november 2024, de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
Omvang
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:
de echtelijke woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] ;
de inboedel in de echtelijke woning;
de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V.;
e activa in de eenmanszaak [bedrijfsnaam 1] ;
de bankrekeningen van partijen;
de voertuigen van partijen:
a. Mercedes Benz met kenteken [kenteken 1] ;
b. Volvo XC90 met kenteken [kenteken 2] ;
c. Renault Twingo met kenteken [kenteken 3] ;
d. een e-scooter met kenteken [kenteken 4] ;
de designer horloges van beide partijen van het merk Cartier en overige sieraden;
het goud in de Nederlandse Kluis B.V.;
de vordering uit hoofde van de letselschadezaak van de vrouw;
de belastingschulden van 2023 en 2024;
Daarnaast dient de rechtbank een oordeel te geven over:
de door de man gestelde regresvordering naar aanleiding van de schuld bij DEFAM B.V.
Ad a – de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2]
Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning in eerste instantie aan de vrouw moet worden toegedeeld op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld. Indien blijkt dat de vrouw niet in staat is om binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden te voldoen, zijn partijen het erover eens dat de woning aan de man wordt toegedeeld op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden. Indien de man ook niet in staat blijkt om binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden te voldoen, zal de woning verkocht worden aan een derde, op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld.
hypotheekrente
De man heeft zijn verzoek met betrekking tot de aan de hypotheek gekoppelde renteovereenkomst op de zitting ingetrokken.
vergoedingsrecht?
De vrouw heeft gesteld dat zij een privé-investering van € 10.200,- heeft ingebracht bij de aankoop van de echtelijke woning. Zij stelt daarom nu een vergoedingsrecht te hebben op de gemeenschap, zodat haar privé-inbreng bij de verdeling van de echtelijke woning eerst van de overwaarde afgetrokken moet worden, alvorens deze bij helfte te verdelen. De man heeft dit betwist.
Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, had het op de weg van de vrouw gelegen om nader te onderbouwen dat zij met privévermogen in de woning heeft geïnvesteerd. Dat heeft de vrouw nagelaten. De door haar overgelegde producties 16 en 17 zijn hiertoe onvoldoende. Uit deze producties is niet af te leiden dat de vrouw met privévermogen in de echtelijke woning heeft geïnvesteerd. Daarom wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw af.
Ad. b – de inboedel
Partijen zijn het erover eens dat de inboedel tussen hen bij helfte wordt verdeeld. De rechtbank hoeft hier niet meer op te beslissen.
Ad. c – de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V.
Partijen zijn het erover eens dat de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. worden toegedeeld aan de man, met vergoeding van de helft van de waarde aan de vrouw. Partijen zijn het niet eens geworden over de waarde van de aandelen. De vrouw heeft de waarde van de onderneming (inclusief de werkmaatschappij B.V N&I Care) in eerste instantie geschat op een bedrag van € 150.000. De vrouw heeft op de zitting gesteld dat in ieder geval uitgegaan moet worden van het bedrag aan eigen vermogen, zoals volgt uit de jaarrekening van 2024 van [bedrijfsnaam 2] B.V. van € 77.474,-. De man dient hiervan de helft aan de vrouw te vergoeden. De man is het hier niet mee eens en stelt dat uitgegaan moet worden van de gecorrigeerde jaarrekening van 2024, zoals door hem later is overgelegd, waaruit een eigen vermogen volgt van € 56.094,-. Vervolgens moet nog rekening gehouden worden met reserves die in de holding moeten blijven. De man is bereid van € 50.000,- uit te gaan, zodat de vrouw
€ 25.000,- toekomt. De man heeft ook voorgesteld een deskundige te benoemen om de waarde vast te stellen van de aandelen.
De rechtbank zal voor de waardering van de aandelen uitgaan van de intrinsieke waarde van de vennootschap en ziet geen aanleiding om hiervoor een deskundige te benoemen. De rechtbank waardeert de aandelen in de holding in redelijkheid op een bedrag van € 74.515,- netto en licht dat als volgt toe.
Deze waarde is gebaseerd op het eigen vermogen zoals dat blijkt uit de gecorrigeerde jaarrekening, namelijk € 56.094,-, vermeerderd met twee componenten en verlaagd met de daarover verschuldigde belasting. De rechtbank vermeerdert het eigen vermogen met het verschil tussen het bedrag waarvoor de bedrijfsauto op de balans per 31 december 2024 is vermeld, namelijk € 5.950,-, en het bedrag waarvoor de Volvo XC90 is aangekocht op 11 oktober 2024, namelijk € 22.495,-, derhalve € 16.545,-. Het op de balans vermelde bedrag is gebaseerd op een waardebepaling van de auto van 27 september 2024. Deze waarde komt de rechtbank niet redelijk voor nu de vennootschap deze auto nog geen maand later voor bijna het viervoudige heeft aangeschaft. Daarnaast vermeerdert de rechtbank de waarde van het eigen vermogen met de waarde van de aandelen in de werkmaatschappij N&I Care B.V., nu deze waarde in de balans van de holding per 31 december 2024 is gesteld op € 1,- terwijl uit de – volgens de man voorlopige – jaarrekening blijkt dat het eigen vermogen van de werkmaatschappij € 28.967,- bedraagt. De aandelen in de werkmaatschappij vallen weliswaar niet in de gemeenschap, maar bij de bepaling van de waarde van de aandelen in de holding dient ook met de waarde van de werkmaatschappij rekening te worden gehouden. De man heeft geen gecorrigeerde jaarrekening van de werkmaatschappij overgelegd, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de door de man overgelegde jaarrekening de definitieve cijfers bevat.
De waarde van de aandelen in de holding stelt de rechtbank daarmee vast op € 101.606,-. Over deze waarde zal de man op enig moment belasting verschuldigd zijn. De rechtbank houdt daarom ook rekening met een latente belastingclaim aanmerkelijk belang. Deze AB-claim bedraagt 24,5% tot € 67.804,-, te weten € 16.612,-, en daarboven 31% (het aandelenkapitaal is 1 zodat dit niet in mindering wordt gebracht), te weten € 10.479,-, derhalve afgerond € 27.091,-.
De rechtbank zal daarom bepalen dat de aandelen in de holding moeten worden toegedeeld aan de man, tegen betaling aan de vrouw van een bedrag van afgerond € 37.258,-
([€ 101.606 -/- € 27.091] / 2).
Ad. d – de activa van de eenmanszaak [bedrijfsnaam 1]
De rechtbank overweegt dat een eenmanszaak geen afgescheiden vermogen heeft. In de verdeling dienen dus te worden betrokken de activa en passiva van de onderneming die op de datum van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap (te weten de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek) aanwezig waren.
Partijen zijn het erover eens dat de activa van de eenmanszaak aan de vrouw worden toegedeeld, maar de waarde van de activa is tussen partijen in geschil. Uit de jaarstukken van 2024 van de eenmanszaak blijft een ondernemingsvermogen van € 56.959,-. De vrouw stelt echter dat hierin is begrepen een bedrag van € 38.552,- aan onderhanden werk waar geen rekening mee gehouden moet worden. Voordat zij bij haar huidige werkgever Veerkracht Jeugdhulp in loondienst was, voerde zij als ZZP’er werkzaamheden uit voor Veerkracht Jeugdhulp vanuit [bedrijfsnaam 1] . Vanwege financieel slecht weer van Veerkracht Jeugdhulp is het volgens de vrouw onzeker of dit bedrag aan haar uitgekeerd zal worden. De man voert verweer en stelt dat uitgegaan moet worden vanuit het gehele ondernemingsvermogen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het door de vrouw gestelde bedrag van € 38.552,- in mindering te brengen op het ondernemingsvermogen en dit buiten beschouwing te laten, omdat niet aannemelijk is dat de vrouw dit bedrag niet meer uitgekeerd zal krijgen. Het had op haar weg gelegen om nader te onderbouwen dat zij dit bedrag niet meer van haar werkgever kan of zal ontvangen. De rechtbank stelt de waarde van de activa vast op € 56.959,-, waarvan de vrouw de helft aan de man dient te vergoeden, te weten € 28.480,-.
Tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling heeft de vrouw aan de man een afschrift van het saldo op haar zakelijke bankrekening op de peildatum gezonden. Dit bedroeg € 2.153,90. Partijen zijn overeengekomen dat de vrouw de man inzage zal verstrekken in de bankrekening van haar eenmanszaak over de periode van zes maanden voorafgaand aan de peildatum. Deze afspraak leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw de man de overeengekomen inzage zal verstrekken.
Ad. e – de bankrekeningen
Partijen zijn het erover eens dat ieder zijn/haar eigen bankrekeningen behoudt, onder de verplichting van verrekening van de helft van de saldi over en weer op de peildatum. De gezamenlijke bankrekening zal worden opgeheven zodra de echtelijke woning verdeeld is. Het saldo zal op dat moment worden verdeeld.
Ad. f – de voertuigen
De rechtbank stelt voorop dat zij de waarde van de voertuigen zal vaststellen op de peildatum, omdat alle voertuigen op dat moment al uitsluitend in gebruik waren van een van partijen. De voertuigen waren toen al feitelijk verdeeld, zodat het redelijk is om van de op dat moment geldende waarde uit te gaan.
Partijen zijn het erover eens dat de Mercedes Benz met kenteken [kenteken 1] wordt toegedeeld aan de vrouw, onder verrekening van de waarde met de man. Tussen partijen is in geschil voor welke waarde de auto aan de vrouw moet worden toegedeeld. De vrouw heeft aanvankelijk in de stukken gesteld dat de Mercedes Benz voor € 18.250,- aan haar toegedeeld moet worden, volgens de ANWB-Koerslijst bij verkoop aan een particulier. Daarna heeft zij een taxatierapport ingediend waaruit een waarde van € 5.000,- volgt, omdat de Mercedes Benz beschadigingen zou hebben die leiden tot een waardevermindering. De man heeft ook een uittrekstel van de ANWB-Koerslijst van overgelegd, van vreemd genoeg recentere datum, waaruit een waarde van € 20.800,- volgt bij verkoop aan een particulier.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft de vrouw erkend dat de door haar bedoelde schade in het afgelopen jaar is ontstaan en dus is ontstaan in de periode dat zij de Mercedes Benz al uitsluitend in haar gebruik had. De door haar overgelegde lage taxatie is opgemaakt nadat de schade is ontstaan. De rechtbank zal derhalve uitgaan van de waarde conform de door beide partijen overgelegde ANWB-Koerslijsten. Omdat deze van elkaar verschillen, zal de rechtbank de waarde van de Mercedes Benz vaststellen op het gemiddelde daarvan, te weten € 19.525,-. De vrouw moet daarom de man nog afgerond
€ 9.763,- voldoen.
Ten aanzien van de Volvo XC90 [kenteken 2] heeft de vrouw gesteld dat deze tot de huwelijksgemeenschap behoort en verdeeld moet worden. De man heeft echter aangetoond dat de Volvo door zijn B.V. is aangekocht en buiten de gemeenschap valt. De Volvo is derhalve niet aan te merken als een bestanddeel en komt niet voor verdeling in aanmerking.
Partijen zijn het erover eens dat de Renault Twingo met kenteken [kenteken 3] aan de man wordt toegedeeld voor een waarde van € 3.600,-, zodat de man aan de vrouw nog € 1.800,- moet voldoen.
Over de e-scooter met kenteken [kenteken 4] zijn partijen het erover eens dat deze wordt toegedeeld aan de vrouw. De vrouw heeft aanvankelijk in de stukken gesteld dat de scooter € 1.000,- waard is. De man heeft ook een waarde van € 1.000,- aangenomen. De vrouw stelt zich in haar recente stukken op het standpunt dat de scooter een waarde van € 675,- vertegenwoordigt. De rechtbank gaat aan dit laatste standpunt voorbij en zal de waarde van de scooter vaststellen op € 1.000,-, omdat partijen het hier aanvankelijk over eens waren en gelet op de peildatum waar de rechtbank van uitgaat. De laatste taxatie van de vrouw is van 31 oktober 2025, dus bijna een jaar later. De vrouw moet de man dus nog € 500,- vergoeden.
Ad. g – de designer horloges van beide partijen van het merk Cartier en overige sieraden
Het horloge van de man zal worden toegedeeld aan de man voor een waarde van € 13.500,-. Hier heeft de vrouw op de zitting mee ingestemd. De man moet de vrouw hiervoor nog € 6.750,- voldoen.
Het horloge van de vrouw zal worden toegedeeld aan de vrouw. De vrouw heeft primair gesteld dat haar Cartier horloge buiten de verdeling valt, omdat de vrouw het als cadeau van de man heeft gekregen op hun vijfde trouwdag in 2023. De rechtbank oordeelt dat het horloge in de gemeenschap valt op grond van artikel 1:94 lid 3 sub a BW. Gesteld noch gebleken is dat het horloge anders dan met gemeenschapsgeld is betaald. Daarmee valt het in de beperkte gemeenschap, ook al hadden partijen de bedoeling dat de vrouw het horloge zou dragen. De rechtbank zal het horloge toedelen aan de vrouw voor de aanschafprijs van € 1.500,-. De vrouw moet daarom aan de man nog € 750,- voldoen.
Voor de overige sieraden die partijen hebben aangeschaft tijdens het huwelijk constateert de rechtbank dat dit sieraden zijn die – net als de Cartier horloges – zijn betaald met gemeenschapsgeld na de aanvang van het huwelijk en dus in de beperkte gemeenschap vallen en verdeeld moeten worden. De rechtbank kan echter niet vaststellen welke sieraden dit zijn of wat de waarde hiervan is. De rechtbank wijst de verzoeken voor zover die hierop zien daarom af als onvoldoende gespecificeerd.
Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat sieraden die partijen ieder persoonlijk van derden hebben gekregen, zoals de sieraden die de vrouw stelt geschonken te hebben gekregen van haar familie, op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a BW buiten de gemeenschap vallen en niet hoeven te worden verdeeld.
Ad. h - goud in de Nederlandse Kluis B.V.;
De rechtbank begrijpt dat het goud dat in een gezamenlijke kluis van partijen zou liggen of gelegen zou hebben, door partijen samen als huwelijksgeschenk zou zijn ontvangen van derden. Dit behoort aan partijen gezamenlijk toe en moet daarom worden verdeeld. Anders dan de babymunten waarover partijen het eens zijn dat deze aan de kinderen toebehoren, kan de rechtbank echter niet vaststellen welk goud dit verder betreft. De rechtbank wijst de verzoeken voor zover die hierop zien daarom af als onvoldoende gespecificeerd.
Ad. i – vordering uit hoofde van de letselschadezaak van de vrouw
De man stelt dat de vrouw nog recht heeft op een deel van een schadevergoeding uit een letselschadezaak naar aanleiding van een auto-ongeluk. Hij stelt dat de laatste betalingen van schadevergoedingen niet meer op de gezamenlijke rekening zijn gestort, maar op de rekening van de vrouw zelf. De man heeft recht op de helft hiervan. Bovendien is de zaak nog niet compleet afgedaan en kunnen er dus nog betalingen volgen. De vrouw stelt dat zij alle schadevergoedingen, behalve de immateriële schadevergoeding, bij helfte heeft verdeeld en de helft aan de man heeft overgemaakt voor zover dit op haar eigen bankrekening is gestort.
De rechtbank overweegt dat als de vrouw nog een vordering heeft uit hoofde van de letselschadezaak, deze vordering in de gemeenschap valt. Dit betekent dat als er nog toekomstige betalingen volgen, deze voor de helft toekomen aan de man. Partijen zijn het erover eens dat voor zover de vrouw nog immateriële schadevergoeding ontvangt dit niet in de gemeenschap valt en dus ook niet hoeft te worden verdeeld. De rechtbank zal het verzoek in die zin toewijzen. Het ligt voorts op de weg van de vrouw om de man te informeren over het verloop van de afhandeling van de letselschadezaak.
Ad. j – de belastingschulden van 2023 en 2024
De vrouw heeft aangevoerd dat partijen een bedrag van € 2.125,- aan teveel ontvangen kindgebonden budget over 2023 moeten terugbetalen. Dit is een definitieve berekening. De vrouw heeft ook een voorlopige aanslag aangifte Inkomstenbelasting van 2024 overgelegd, waaruit volgt dat zij € 37.228,- moet betalen en een voorlopige aanslag van de Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, waaruit volgt dat zij € 1.858,- moet betalen. De vrouw verzoekt te bepalen dat partijen hier bij helfte draagplichtig voor zijn. De man betwist het bestaan van de schulden niet, maar geeft aan dat voor zover de betalingen zien op de eenmanszaak van de vrouw hij het niet redelijk vindt om hierin bij te dragen, omdat hij ook de belasting voor zijn B.V. zelf heeft betaald.
De rechtbank overweegt dat schulden niet in aanmerking komen voor verdeling omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.
In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot.
Dit geldt daarom ook voor de belastingschulden van partijen over de periode dat partijen nog samenleefden, wanneer deze definitief zijn vastgesteld. Dat de man niet draagplichtig zou zijn voor de schulden die verband houden met de eenmanszaak, gaat niet op. De activa van de eenmanszaak vallen in de gemeenschap en worden verdeeld. Ook de schulden vallen in de gemeenschap en voor zover de vrouw deze als eigen schuld voldoet, dient de man de helft daarvan aan de vrouw te vergoeden. Het argument dat de vennootschap van de man ook de eigen belastingschulden betaalt gaat hier niet op, nu dat een vennootschap is waarvan niet de activa in de gemeenschap vallen, maar de aandelen; eventuele belastingschulden zijn reeds verdisconteerd in de waarde van die aandelen.
Ad. k – de regresvordering naar aanleiding van de schuld bij DEFAM B.V.
De man stelt dat hij een regresvordering heeft op de vrouw van de helft van de door hem afgeloste gemeenschappelijke schuld bij DEFAM B.V. van nog in totaal € 8.837,30. De vrouw heeft aangevoerd dat deze regresvordering deels zou moeten worden verrekend met door haar gemaakte advocaatkosten, omdat partijen volgens haar hier een afspraak over hadden gemaakt. De man heeft deze afspraak betwist.
De rechtbank overweegt net als hiervoor dat schulden niet kunnen worden verdeeld. Wel kan de man uit hoofde van regres op grond van artikel 6:10 BW een vordering hebben op de vrouw voor het meerdere door hem bijgedragen dan het gedeelte dat hem in de onderlinge verhouding van de gemeenschapsschuld aangaat. Vaststaat dat de man deze gemeenschapsschuld op 11 februari 2025 heeft afgelost. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de vrouw dat zij kan verrekenen, omdat de man het bestaan van de gestelde afspraak heeft weersproken en de vrouw deze niet nader heeft onderbouwd. De man heeft daarom een regresvordering op de vrouw ter hoogte van de helft van het door de man afgeloste bedrag, te weten € 4.418,65.
Vordering bruidsgave
Volgens vaste jurisprudentie moet de bruidsgave gezien worden als een overeenkomst met een geheel eigen karakter en niet als een onderdeel van de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Daarom zal de rechtbank de bruidsgave hieronder, separaat van de verdeling, behandelen.
De vrouw stelt dat partijen op 29 juni 2018 – derhalve vóór het huwelijk – een Mehir overeenkomst zijn aangegaan waaruit volgt dat de man haar een bruidsgave van 200 gram goud moet voldoen, dan wel een bedrag van € 20.000,- en haar bedevaartreis moet vergoeden. Volgens de vrouw wordt deze overeenkomst gewoonterechtelijk en naar Islamitisch recht exclusief ten gunste en in het belang van de vrouw aangegaan. De bedoeling hiervan is dat de vrouw ook enige financiële zekerheid heeft in geval van echtscheiding. De man weerspreekt dat het door partijen getekende handgeschreven briefje een overeenkomst inhoudt die met zich meebrengt dat hij dit aan de vrouw zou moeten voldoen wanneer zij uit elkaar zouden gaan. De ondertekening had volgens hem uitsluitend ceremoniële waarde en was enkel symbolisch.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting hebben beide partijen toegelicht dat er een ceremonie was bij de Iman op 29 juni 2018. Tijdens die ceremonie hebben partijen en drie getuigen het door de vrouw overgelegde handgeschreven briefje ondertekend. Dit briefje (overgelegd als productie 11) is summier en bevat slechts de namen en handtekeningen van partijen, de woorden:

Mehr: 200 gr
Hac([onleesbaar woord dat ook bedevaart zou betekenen])”
en de handtekeningen van drie getuigen.
De rechtbank overweegt dat beide partijen een islamitische achtergrond hebben. De bruidsgave is een islamitische rechtsfiguur en een essentieel onderdeel van een islamitisch huwelijk. Echter, zowel de man als de vrouw zijn hoog opgeleid als maatschappelijk werker (de man) en psycholoog (de vrouw), zij zijn in [land] respectievelijk Nederland geboren en voorzagen voor het huwelijk in hun eigen levensonderhoud. Zij zijn getrouwd voor de Duitse wet in [plaats 1] en hebben zich na het huwelijk in Nederland gevestigd.
Gelet op het verweer van de man dat de ondertekening van dit briefje uitsluitend ceremoniële waarde had, had het op de weg van de vrouw gelegen om de rechtbank nader te informeren over deze gestelde rechtsfiguur, te beginnen met de vraag naar welk recht dit uitgelegd zou moeten worden en de exacte rechtsgevolgen ervan. In landen met een islamitisch rechtsstelsel kan de bruidsgave immers verschillend zijn geregeld, er zijn bovendien verschillen per rechtsschool en per gemeenschap. Dit alles heeft de vrouw nagelaten. In het briefje staat verder niets over de voorwaarden van uitbetaling van de bruidsgave.
De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat partijen een overeenkomst zijn aangegaan die inhoudt dat de man aan de vrouw bij echtscheiding de waarde van 200 gram goud en een bedevaart moet betalen en wijst het daartoe strekkende verzoek af.
Voortgezet gebruik echtelijke woning
De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de woning aan haar toe te delen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw en dit is altijd zo geweest. De vrouw heeft er belang bij om met de kinderen zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de woning te blijven, om uit te zoeken of zij de woning kan overnemen. De man heeft tegen dit verzoek geen verweer gevoerd zodat dit zal worden toegewezen.
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw voortaan de maandelijkse rentelasten geheel voor haar rekening neemt, omdat zij het voortgezet gebruik van de echtelijke woning krijgt. De man blijft in deze periode wel nog zijn aandeel in de maandelijkse aflossing in de hypotheek betalen. Deze afspraak tussen partijen leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervanuit dat partijen zich hieraan zullen houden.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2018 te [plaats 1] ( [land] );
*
bepaalt dat de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats 2] ,
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
*
bepaalt een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen bij de man verblijven iedere week van vrijdag uit school tot maandag 18.30 uur,
en bepaalt de volgende verdeling van de (school)vakanties en feestdagen:
  • voorjaarsvakantie: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;
  • meivakantie: even jaren eerste week bij de man en tweede week bij de vrouw. Wisselmoment op zaterdag 12.00 uur;
  • zomervakantie even jaren: 3-3 weken. Even jaren eerste drie weken bij de man en laatste drie weken bij de vrouw. Oneven jaren eerste drie weken bij de vrouw en laatste drie weken bij de man. Wisselmoment op zaterdag 12.00 uur;
  • herfstvakantie: even jaren bij de vrouw en oneven jaren bij de man;
  • kerstvakantie: even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw. Oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man,
waarbij de vakanties altijd starten uit school en eindigen naar school;
  • Sinterklaas van 10.00 uur op 5 december tot 10.00 uur op 6 december in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;
  • Eerste Kerstdag van 10.00 uur tot Tweede Kerstdag 10.00 uur altijd bij de man;
  • Tweede Kerstdag van 10.00 uur tot 27 december 10.00 uur altijd bij de vrouw;
  • Oudejaarsdag en Nieuwjaarsdag: even jaren bij de man en oneven jaren bij de vrouw, vanaf oudejaarsdag 12.00 uur tot nieuwjaarsdag 12.00 uur;
  • Pasen: even jaren van Goede Vrijdag tot en met Tweede Paasdag bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
  • Pinksteren: even jaren bij de man en oneven jaren bij de vrouw;
  • Koningsdag: oneven jaren bij de vrouw en even jaren bij de man;
  • Islamitische Suikerfeest: oneven jaren bij de man en even jaren bij de vrouw;
  • Islamitische Offerfeest: even jaren bij de man en oneven jaren bij de vrouw;
  • Hemelvaartsdag: oneven jaren bij de man en even jaren bij de vrouw;
  • Moederdag: het hele weekend van vrijdag uit school tot maandag 19.00 uur altijd bij de vrouw;
  • Vaderdag: het hele weekend van vrijdag uit school tot maandag 19.00 uur altijd bij de man;
  • Verjaardag man: altijd bij de man;
  • Verjaardag vrouw: altijd bij de vrouw;
  • Verjaardag kinderen: oneven jaren bij de man de even jaren bij de vrouw
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 26 november 2024 tot aan heden een kinderalimentatie ten behoeve van voornoemde minderjarigen van € 400,- per maand zal betalen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van voornoemde minderjarigen van € 264,- per kind per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] te ( [postcode] ) en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening met nummer [nummer 2] bij ING bank:
de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de vrouw aan de man binnen één maand na de datum van deze beschikking drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren en zo nodig te verkopen, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de vrouw de woning zal overnemen;
b) de vrouw dient binnen drie maanden na de taxatie aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw, als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2. indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder de onder 1 genoemde voorwaarden dan wordt de woning toegedeeld aan de man op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als genoemd onder 1, waarbij geldt dat waar man staat moet worden gelezen vrouw en omgekeerd;
3. indien geen van partijen de woning kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen verstrekken binnen één week nadat de onder 2 genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) met betrekking tot de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V.:
bepaalt dat de aandelen worden toegedeeld aan de man, onder de verplichting van de man om aan de vrouw een bedrag van afgerond € 37.258,- te voldoen;
3) met betrekking tot de eenmanszaak [bedrijfsnaam 1] :
bepaalt dat aan de vrouw worden toegedeeld alle activa van de eenmanszaak, onder de verplichting van de vrouw om een bedrag van € 28.480,- aan te de man te voldoen;
4) met betrekking tot de bankrekeningen:
- bepaalt dat partijen ieder zijn of haar eigen bankrekening houdt, met verrekening van de saldi per peildatum;
- bepaalt dat de gezamenlijke bankrekening van partijen wordt opgeheven per datum verdeling en levering van de echtelijke woning, onder verdeling van het op dat moment aanwezige saldo bij helfte;
5) met betrekking tot de voertuigen:
- bepaalt dat de Mercedes Benz met kenteken [kenteken 1] wordt toegedeeld aan de vrouw, onder de verplichting van vergoeding aan de man van € 9.763,-;
- bepaalt dat de Renault Twingo met kenteken [kenteken 3] wordt toegedeeld aan de man, onder de verplichting van vergoeding aan de vrouw van € 1.800,-;
- bepaalt dat de e-scooter met kenteken [kenteken 4] wordt toegedeeld aan de vrouw, onder de verplichting van vergoeding aan de man van € 500,-;
6) met betrekking tot de horloges van Cartier en overige sieraden:
- bepaalt dat het Cartier horloge van de man wordt toegedeeld aan de man, onder de verplichting van vergoeding aan de vrouw van € 6.750,-;
- bepaalt dat het Cartier horloge van de vrouw wordt toegedeeld aan de vrouw, onder de verplichting van vergoeding aan de man van € 750,-;
7) met betrekking tot vordering uit hoofde van de letselschadezaak van de vrouw:
bepaalt dat de vordering uit hoofde van de letselschadezaak voor zover die ziet op materiële schadevergoeding, aan de gemeenschap toebehoort, waarbij eventueel toekomstige uitbetalingen aan de vrouw voor de helft toekomen aan de man;
8) met betrekking tot de schuld wegens kindgebonden budget 2023 en de belastingschulden van 2023 en 2024:
bepaalt dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden uit hoofde van definitieve aanslagen van 2023 en 2024 en teveel ontvangen kindgebonden budget 2023;
9) met betrekking tot de schuld bij DEFAM B.V.:
bepaalt dat de man een regresvordering heeft op de vrouw van € 4.418,65;
*
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] , en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de vrouw deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. van der Vliet, A.M. Brakel, E.E. Kraan rechters, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 11 december 2025.

Voetnoten

1.Zie productie 29