ECLI:NL:RBDHA:2025:26275

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 januari 2026
Zaaknummer
C/09/694874 / FA RK 25-8749
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van een verzoek tot rechterlijke machtiging voor opname en verblijf in het kader van de Wet zorg en dwang

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 10 december 2025 een beschikking gegeven inzake een verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging voor de duur van zes maanden, ingediend door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Het verzoek was gericht op cliënt, geboren in 1935, die momenteel verblijft in een zorginstelling. De advocaat van cliënt, mr. B.S. van Haeften, heeft gepleit voor afwijzing van het verzoek, waarbij cliënt zijn onvrede over de huidige situatie heeft geuit. Tijdens de mondelinge behandeling zijn ook de verpleegkundig specialist en de dochter van cliënt gehoord. De verpleegkundig specialist heeft verklaard dat cliënt lichamelijk niet in orde is en veel pijn heeft, maar dat hij geen actief verzet toont tegen zijn verblijf in de zorginstelling. De dochter van cliënt heeft aangegeven dat haar vader naar huis wil, maar dat dit momenteel geen optie is. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van (actief) verzet en dat de benodigde zorg op vrijwillige basis kan worden geboden. Daarom is het verzoek tot rechterlijke machtiging afgewezen. De beschikking is gegeven door mr. H.D. Overbeek, met L. Batenburg als griffier, en is vastgesteld op 19 december 2025. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/694874 / FA RK 25-8749
Datum beschikking: 10 december 2025

Afwijzing rechterlijke machtiging tot opname en verblijf

Beschikkingnaar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[cliënt],
hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum] 1935 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
thans verblijvende in de accommodatie [zorginstelling], locatie [locatie], te [plaats],
advocaat: mr. B.S. van Haeften te Den Haag.

Procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 20 november 2025.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 13 mei 2024;
- een aanvraag voor een rechterlijke machtiging aan het CIZ van 6 oktober 2025;
- een op 18 november 2025 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, [naam 1], die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij zijn behandeling betrokken was;
- een zorgplan van 21 oktober 2025.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door zijn advocaat;
- de verpleegkundig specialist, mevrouw [naam 2];
- de dochter van cliënt, mevrouw [naam 3].

Standpunten ter zitting

Door en namens cliënt is naar voren gebracht dat het niet gaat zoals hij wenst. Cliënt zou zich graag beter willen kunnen bewegen. Daarnaast zou hij het liefst niet in deze situatie verkeren of hier zitten. De advocaat pleit voor afwijzing van het verzoek. Cliënt vindt het verblijf verschrikkelijk en wil terug naar zijn eigen woning. Hij toont geen actief verzet, alleen verbaal, waardoor een rechterlijke machtiging dan een zwaar middel is.
De verpleegkundig specialist heeft aangegeven dat cliënt lichamelijk niet in orde is en veel pijn heeft, waardoor hij zichzelf beperkt en letterlijk en figuurlijk niet kan bewegen. Cliënt geeft herhaaldelijk aan dat hij liever naar huis wil. Hij uit zijn verzet vooral verbaal aan de zorg. Cliënt keert terug naar de afdeling wanneer hij buiten is geweest, wat erop wijst dat hij niet actief probeert weg te lopen. De verpleegkundig specialist heeft contact gehad met het CIZ over een aanvraag op basis van artikel 21 Wzd. Het CIZ oordeelde echter dat een rechterlijke machtiging meer passend was, ondanks dat cliënt niet actief wegloopt, maar wel verbaal verzet toont en niet volledig ziekte-inzicht heeft.
De dochter van cliënt heeft verklaard dat haar vader naar huis wil, maar dat is geen optie. Zij geeft aan dat hij zijn draai nog niet heeft gevonden en ook niet weet of dat haalbaar is.

Beoordeling

Uit de toelichtingen ter zitting en de geschetste huidige stand van zaken leidt de rechtbank af dat er geen sprake is van (actief) verzet, aangezien cliënt geen pogingen onderneemt om naar huis terug te keren. De zorg die cliënt nodig heeft kan op vrijwillige basis geboden worden, waardoor verplichte zorg nu niet noodzakelijk is. Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de criteria voor een rechterlijke machtiging. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst af het verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.D. Overbeek, rechter, bijgestaan door L. Batenburg als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 december 2025.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 19 december 2025.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.