ECLI:NL:RBDHA:2025:26275
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van een verzoek tot rechterlijke machtiging voor opname en verblijf in het kader van de Wet zorg en dwang
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 10 december 2025 een beschikking gegeven inzake een verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging voor de duur van zes maanden, ingediend door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Het verzoek was gericht op cliënt, geboren in 1935, die momenteel verblijft in een zorginstelling. De advocaat van cliënt, mr. B.S. van Haeften, heeft gepleit voor afwijzing van het verzoek, waarbij cliënt zijn onvrede over de huidige situatie heeft geuit. Tijdens de mondelinge behandeling zijn ook de verpleegkundig specialist en de dochter van cliënt gehoord. De verpleegkundig specialist heeft verklaard dat cliënt lichamelijk niet in orde is en veel pijn heeft, maar dat hij geen actief verzet toont tegen zijn verblijf in de zorginstelling. De dochter van cliënt heeft aangegeven dat haar vader naar huis wil, maar dat dit momenteel geen optie is. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van (actief) verzet en dat de benodigde zorg op vrijwillige basis kan worden geboden. Daarom is het verzoek tot rechterlijke machtiging afgewezen. De beschikking is gegeven door mr. H.D. Overbeek, met L. Batenburg als griffier, en is vastgesteld op 19 december 2025. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.