In deze zaak heeft eiser, een Djiboutiaanse burger, op 21 januari 2025 de minister van Asiel en Migratie in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel. Eiser heeft op 5 februari 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Op 29 april 2025 heeft de minister alsnog op de asielaanvraag beslist en deze afgewezen. Eiser heeft vervolgens beroepsgronden ingediend tegen dit besluit. De rechtbank heeft de zaak op 9 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals een tolk en de gemachtigde van de verweerder.
De rechtbank oordeelt dat eiser geen belang meer heeft bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat de minister inmiddels op de aanvraag heeft beslist. Eiser handhaaft dit onderdeel van zijn beroep echter met het oog op een proceskostenveroordeling. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser.
Eiser heeft zijn asielaanvraag gebaseerd op zijn homoseksuele geaardheid en de problemen die hij in Djibouti heeft ondervonden. De rechtbank oordeelt dat de minister het asielmotief van identiteit en nationaliteit geloofwaardig acht, maar het motief van homoseksuele geaardheid niet. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het nader gehoor summier en ontwijkend heeft verklaard, en dat hij niet voldoende inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke beleving en ervaringen. De rechtbank volgt de minister in zijn oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Djibouti. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de minister wordt wel veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.