In deze zaak heeft de kantonrechter te Den Haag uitspraak gedaan op 18 december 2025 in een geschil over de terugbetaling van proceskosten die aan betrokkene waren opgelegd in verband met een verkeersboete. Betrokkene had beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie, die een proceskostenvergoeding van € 80,88 had toegekend op basis van artikel 13a, tweede lid, van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De officier van justitie had later een herberekening gemaakt, waarbij de proceskostenvergoeding werd verhoogd naar € 550,25, en een bedrag van € 469,37 was terugbetaald aan betrokkene.
De kantonrechter heeft de zaak behandeld op 4 december 2025, waarbij de gemachtigde van betrokkene, mr. N.G.A. Voorbach van Verkeersboete.nl, en de vertegenwoordiger van de officier van justitie aanwezig waren. De gemachtigde voerde aan dat de toepassing van artikel 13a, tweede lid, Wahv in strijd was met het discriminatieverbod. De officier van justitie verzocht om de verminderingsfactor toe te passen en terugbetaling van de te veel betaalde proceskosten.
De kantonrechter oordeelde dat er geen rechtens te respecteren belang meer was voor betrokkene, omdat de officier van justitie al een hogere proceskostenvergoeding had toegekend. Het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard, en het verzoek tot terugbetaling van € 469,37 werd afgewezen op grond van het verbod van reformatio in peius, wat betekent dat betrokkene niet in een nadeliger positie mocht komen door de beroepsprocedure. De uitspraak werd gedaan door mr. S. Pereth, bijgestaan door griffier F. Hoppenbrouwer.