ECLI:NL:RBDHA:2025:26196

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
C/09/693664 / JE RK 25-1829
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uit huis plaatsing van een minderjarige in gesloten jeugdhulp

Op 9 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in de zaak van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, waarbij een machtiging is verleend om een minderjarige uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot aan zijn meerderjarigheid. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige, die onder voogdij staat van Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling belemmeren. De kinderrechter heeft de procedure gevoerd met inachtneming van de instemmende verklaring van een gedragswetenschapper en de aanwezigheid van de minderjarige, zijn advocaat en een pedagogisch medewerker tijdens de zitting. De kinderrechter heeft geconcludeerd dat er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de problemen van de minderjarige te behandelen en dat een verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk is. De beschikking is openbaar uitgesproken en de kinderrechter heeft de machtiging verleend met ingang van 17 december 2025 tot 8 april 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/693664 / JE RK 25-1829
Datum uitspraak: 9 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. F. van den Heuvel uit Arnhem.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 oktober 2025;
  • de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 3 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] met zijn advocaat;
  • [naam 1] namens de gecertificeerde instelling;
  • [naam 2] , de pedagogisch medewerker vanuit [instelling] , door de kinderrechter aangemerkt als informant.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover - in het bijzijn van zijn advocaat en de pedagogisch medewerker - een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 30 november 2010 is [minderjarige] onder voogdij gesteld van Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam. De gecertificeerde instelling is belast met de uitvoering van de voogdij.
2.2.
[minderjarige] verblijft bij [instelling] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 juni 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 17 december 2025.
2.4.
De kinderrechter in de rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 15 oktober 2025 de zaak, in de stand waarin zich deze bevindt, verwezen naar de rechtbank Den Haag.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot aan zijn meerderjarigheid.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en op de zitting nader toegelicht. [minderjarige] heeft een belast verleden en al veel hulpverlening gehad. Hij heeft een licht verstandelijke beperking, gehechtheids- en agressieregulatieproblematiek. Bij [instelling] oefent [minderjarige] met het verkrijgen van meer vrijheden, zodat hij toe kan werken naar een open setting. Gebleken is dat [minderjarige] kwetsbaar is ten aanzien van deze vrijheden. Hij heeft zich ondanks herhaaldelijke waarschuwingen niet aan de afspraken gehouden. [minderjarige] is fysiek sterk en kan in situaties van spanning zeer explosief reageren. De agressie van [minderjarige] op de groep is afgenomen, waardoor de één-op-één begeleiding is afgebouwd en recent is gestopt. Er is nog geen vervolgplek gevonden voor [minderjarige] . Volgens [instelling] wordt hij op de groep overvraagd. [minderjarige] zou profiteren van een kleinschalige setting waarin er weinig tot geen sprake is van forensische problematiek. Er is een aanvraag gedaan voor een WLZ-indicatie om de kansen op een vervolgplek voor [minderjarige] te vergroten. Momenteel heeft [minderjarige] nog steeds de middelen en maatregelen nodig vanuit de gesloten jeugdzorg. In deze setting gaat het de laatste tijd beter met hem en het is belangrijk dat deze positieve ontwikkeling voortgezet kan worden. Na [minderjarige] meerderjarigheid zal de jeugdreclasseerder nog twee jaar betrokken bij hem blijven. [minderjarige] houdt zich goed aan de voorwaarden van zijn voorwaardelijke straf. De jeugdbeschermer, jeugdreclasseerder en de behandelcoördinator spreken elkaar regelmatig. De jeugdbeschermer zal met de jeugdreclasseerder in gesprek gaan om zijn betrokkenheid de komende periode te vergroten. De jeugdbeschermer zal verder bespreken of de dagbesteding van [minderjarige] uitgebreid kan worden. Indien [minderjarige] daarmee instemt, zal de jeugdbeschermer een aanvraag doen voor verlengde jeugdhulp en kijken of [minderjarige] langer bij [instelling] kan verblijven.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens [minderjarige] is geen verweer gevoerd. [minderjarige] zit bij [instelling] goed op zijn plek en er kan aangesloten worden bij wat [minderjarige] nodig heeft en wat hij wil. [minderjarige] houdt zich nu aan de afspraken en heeft meer vrijheden gekregen. [minderjarige] sport en praat twee tot drie keer per week met zijn coach. Ook loopt [minderjarige] stage, waarbij hij leert om fietsen te repareren en hij certificaten kan behalen. Er moet vanuit rust en structuur toegewerkt worden naar een vervolgplek, omdat [minderjarige] op een open groep overvraagd kan worden. Het is belangrijk dat de overgang niet te groot zal zijn en dat [instelling] [minderjarige] hierin zal begeleiden. De advocaat maakt zich zorgen over waar [minderjarige] naartoe zal gaan als hij meerderjarig is, omdat hij nog niet op een wachtlijst staat en wachtlijsten lang zijn. [minderjarige] zou ook na zijn achttiende nog een half jaar bij [instelling] kunnen blijven, maar dan moet dat wel op tijd door de gecertificeerde instelling worden geregeld. Het is fijn dat er een jeugdreclasseerder bij [minderjarige] betrokken is, omdat de jeugdbeschermer vanaf [minderjarige] meerderjarigheid niet langer betrokken zal zijn. Het is ter voorbereiding op deze overgang belangrijk dat de jeugdreclasseerder meer betrokken zal raken bij [minderjarige] . Ook moet er worden gekeken of [minderjarige] zich na zijn meerderjarigheid nog wel aan de voorwaarden van zijn proeftijd kan houden.
4.2.
Desgevraagd heeft de pedagogisch medewerker naar voren gebracht dat het goed gaat met [minderjarige] op de groep. Hij heeft daar zijn plek gevonden en houdt zich goed aan de afspraken. [instelling] is bezig met het zoeken naar meer dagbesteding voor [minderjarige] . Hierbij wordt gekeken naar wat [minderjarige] zou willen en kunnen doen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [minderjarige] heeft de afgelopen periode een positieve ontwikkeling doorgemaakt op [instelling] . Het gaat goed met hem op de groep en hij laat minder agressieproblematiek zien. [minderjarige] houdt zich goed aan zijn de voorwaarden van zijn proeftijd en de afspraken met [instelling] . [minderjarige] heeft meer duidelijkheid gekregen over de afspraken en er is een beloningssysteem, waardoor hij gemotiveerd is om zich eraan te houden. [minderjarige] vindt het repareren van fietsen de leukste dagbesteding die hij tot nu toe heeft gehad en hierbij krijgt hij de kans om certificaten te behalen zodat hij beter in staat zal zijn om een baan te krijgen. Om deze positieve ontwikkelingen te bestendigen, is het noodzakelijk dat [minderjarige] tot aan zijn meerderjarigheid bij [instelling] zal verblijven. De kinderrechter onderschrijft de door de advocaat geuite zorgen. Bij [instelling] is het van belang dat gekeken wordt of [minderjarige] dagbesteding uitgebreid kan worden en hoe hij voorbereid kan worden op de overgang naar een open setting. Het is noodzakelijk dat de jeugdreclasseerder intensiever betrokken raakt bij [minderjarige] en dat er, gelet op de wachtlijstproblematiek, voortvarend wordt gekeken naar waar [minderjarige] zal kunnen verblijven als hij 18 jaar is en welke hulpverlening hij dan nodig heeft.
5.3.
De kinderrechter machtigt de gecertificeerde instelling om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot aan zijn meerderjarigheid.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 17 december 2025 tot 8 april 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 18 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).