ECLI:NL:RBDHA:2025:26187

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
C/09/663462 / FA RK 24-2082
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie in een echtscheidingszaak met minderjarigen

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 9 december 2025 een beschikking gegeven inzake de hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie voor de minderjarige kinderen van de ouders, die in een echtscheidingsprocedure verwikkeld zijn. De moeder en de vader hebben samen twee minderjarige kinderen, geboren in 2014 en 2017. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen, maar zijn in geschil over de zorgregeling en de alimentatie. De rechtbank heeft de hoofdverblijfplaats van de kinderen vastgesteld bij de moeder, conform de wens van beide ouders. De zorgregeling is vastgesteld op basis van de huidige regeling, waarbij de kinderen in de even weken bij de vader verblijven van woensdag uit school tot de daaropvolgende maandag en in de oneven weken van donderdag uit school tot vrijdag. De rechtbank heeft ook een regeling voor vakanties en feestdagen vastgesteld, waarbij de ouders overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de voorjaars-, mei-, herfst- en kerstvakantie. De vader heeft toestemming gekregen om met de kinderen op vakantie naar Oostenrijk te gaan. Wat betreft de kinderalimentatie heeft de rechtbank vastgesteld dat de vader € 246,- per maand per kind moet betalen, met ingang van de datum van de beschikking. De rechtbank heeft de ouders verwezen naar een traject van parallel solo ouderschap om hen te helpen bij het verbeteren van hun co-ouderschapssituatie. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en de proceskosten zijn voor iedere partij zelf.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-2082
Zaaknummer: C/09/663462
Datum beschikking: 9 december 2025

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 20 maart 2024 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.A. Slappendel in [geboorteplaats] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.S.M. Oudijk in [geboorteplaats] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de moeder;
  • het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken en bijlagen, namens de vader;
  • het verweer tegen de zelfstandige verzoeken, namens de moeder;
  • het bericht van 29 juli 2024, met bijlage, namens de vader;
  • de e-mail van 16 april 2025 namens de vader;
  • de berichten van 12 juni 2025, met bijlagen, namens de vader;
  • de brief van 10 juli 2025, met gewijzigd zelfstandig verzoek, namens de vader;
  • het bericht van 11 juli 2025 namens de moeder;
  • de brief van 31 oktober 2025, met gewijzigd verzoek en bijlagen, namens de moeder;
  • de brief van 1 november 2025, met aanvullend verzoek en bijlagen, namens de vader.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening te geven over de zorgregeling in een gesprek met de (kinder)rechter, maar zij hebben daar geen gebruik van gemaakt. Op 10 november 2025 heeft de rechtbank wel een
e-mail ontvangen vanuit het e-mailadres van de moeder, die is ondertekend door [de minderjarige 1] .
Op 11 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

  • De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] .
  • De ouders zijn met het gezamenlijk gezag over de kinderen belast, zoals blijkt uit de aantekeningen in het gezagsregister van 11 december 2014 en 18 mei 2017.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt – na wijziging –:
  • de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] vast te stellen bij de moeder;
  • een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen bij de vader verblijven iedere woensdagmiddag na school (om 12.00 uur) tot na het avondeten (om 18.30 uur) en om het weekend (in de even weken) van vrijdag na school (om 14.45 uur) tot en met maandag naar school (om 08.30 uur);
  • een verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen, conform het voorstel van de moeder;
  • aan de moeder vervangende toestemming te verlenen om de kinderen aan te melden voor (psychomotorische) therapie bij Groei door Ervaring;
  • een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie van € 468,- per maand per kind vast te stellen, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank in justitie acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig – na wijziging – :
  • een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen in de even weken van donderdag uit school tot de daaropvolgende maandag naar school bij de vader zijn en in de oneven weken van woensdag uit school tot vrijdag naar school, met de bepaling dat iedere ouder zelf verantwoordelijk is voor het bekostigen én regelen van opvang of oppas in zijn of haar zorgmoment en dat de andere ouder aan eventuele daarvoor benodigde toestemming medewerking zal verlenen, en met bepaling dat iedere ouder tijdens zijn of haar zorgmoment de kinderen naar hun wekelijkse sportactiviteit zal brengen en halen, dan wel een in goede justitie te bepalen zorgregeling;
  • een verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen, conform het voorstel van de vader, dan wel een in goede justitie te bepalen vakantie- en feestdagenregeling;
  • aan de vader toestemming te verlenen – welke de toestemming van de moeder vervangt – om met de kinderen op vakantie naar Oostenrijk te gaan in de periode 27 december 2025 tot en met 4 januari 2026;
  • een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie van € 69,- per maand per kind vast te stellen, met ingang van de datum van de te wijzen beschikking, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank in justitie acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Wettelijk kader
Artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. Volgens lid 2 sub a van voornoemd artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of op verzoek van één van hen een regeling vast inzake een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken. Op grond van lid 2 sub b beslist de rechter bij welke ouder een kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechtbank is er niet in geslaagd partijen te verenigen. De rechtbank neemt hierom een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Hoofdverblijfplaats
De ouders zijn het erover eens dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder wordt bepaald. De rechtbank zal conform deze overeenstemming van de ouders beslissen, nu zij dit ook in het belang van de kinderen acht.
Zorgregeling
Reguliere zorgregeling
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. Nadat de ouders hun relatie hebben verbroken zijn er meerdere meldingen bij Veilig Thuis gedaan en zijn meerdere hulpverlenende instanties bij het gezin betrokken geweest. Op
8 april 2024 heeft er een Jeugdbeschermingstafel plaatsgevonden, waar is besproken dat een veiligheidsplan zou worden opgesteld en dat de ouders een ouderschapstraject bij Yoep zouden volgen. Na de indiening van het verzoek hebben de ouders een traject ouderschapsbemiddeling gevolgd, maar het traject is niet met een positief resultaat afgerond. De ouders verschillen van mening over de invulling van de zorgregeling. Op dit moment geven de ouders uitvoering aan een regeling waarbij de kinderen elke maandag en dinsdag bij de moeder zijn, elke woensdag en donderdag bij de vader en een lang weekend om en om bij de ouders.
De moeder vindt de invulling van de tijd bij de vader te druk en zij vindt de huidige regeling te onrustig voor de kinderen, vanwege de vele wisselingen. In één week zijn er voor de kinderen nu namelijk drie wissels; op maandag, woensdag en vrijdag. De moeder had in eerste instantie de voorkeur voor een regeling waarbij de kinderen iedere woensdagmiddag bij de vader zijn en om de veertien dagen een lang weekend. Op de zitting heeft de moeder haar verzoek gewijzigd en zij verzoekt nu een tweewekelijkse zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen bij de vader zijn in de ene week van woensdag uit school tot de daaropvolgende maandag naar school en de kinderen de overige dagen bij de moeder zijn.
De vader wil erkenning voor zijn rol als vader en hij wil gelijkwaardig ouderschap, het liefst met een 50/50 zorgregeling. De vader is blij met de huidige regeling. Hij heeft na wijziging een iets andere regeling verzocht, omdat [de minderjarige 1] bij hem heeft aangegeven dat zij graag op de woensdagmiddag om en om bij de ouders zou willen zijn. Verder heeft de vader er de voorkeur voor dat de kinderen op de donderdag bij hem zijn, zodat hij ze naar hun sportlessen kan brengen.
Op de zitting heeft de rechtbank de invulling van de zorgregeling uitvoerig met de ouders besproken. Het lukt de ouders niet om op dit punt tot overeenstemming te komen. De rechtbank overweegt als volgt. Een week op week af regeling, waarvan de vader heeft aangegeven dat hij dat ook zou willen, acht de rechtbank op dit moment niet in het belang van de kinderen. De moeder haalt de kinderen nu altijd op maandag en dinsdag op van school en op de zitting is niet duidelijk geworden of de vader de kinderen op die dagen ook van school zou kunnen halen. Verder overweegt de rechtbank dat de ouders op dit moment uitvoering geven aan een regeling waarbij de kinderen zeven nachten bij elke ouder zijn. In het voorstel van de vader zijn de kinderen zes nachten bij hem en acht nachten bij de moeder. De regeling die de moeder op de zitting heeft voorgesteld komt neer op vijf nachten bij de vader en negen nachten bij de moeder. Gelet op de huidige regeling acht de rechtbank het voorstel van de moeder een te grote inperking van de tijd die de kinderen bij de vader hebben. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de huidige regeling, omdat zij dat gewend zijn. Ook acht de rechtbank vaste dagen bij elke ouder wenselijk, zoals nu ook het geval is, voor duidelijkheid voor de kinderen.
De rechtbank ziet daarom aanleiding om een regeling vast te stellen waarbij de kinderen bij de vader zijn in de ene week van woensdag uit school tot de daaropvolgende maandag naar school en vervolgens van donderdag uit school tot vrijdag naar school. Daarmee wordt zowel bij het verzoek van de moeder als het verzoek van de vader deels aangesloten. De kinderen zijn in deze regeling altijd op maandag en dinsdag bij de moeder en altijd op donderdag bij de vader, zoals op dit moment ook het geval is. Daarnaast zijn de kinderen op de woensdagmiddag wisselend bij de ouders, wat de rechtbank in hun belang acht en wat ook de wens van [de minderjarige 1] is. Hoewel deze regeling niet minder wisselingen heeft dan de huidige regeling, verwacht de rechtbank dat het minder onrustig voor de kinderen zal zijn als zij in de tweede week bij de moeder kunnen verblijven en tussendoor slechts één nacht bij de vader zijn, te weten van donderdag uit school tot vrijdag naar school. De rechtbank gaat niet mee met de wens van de moeder om die ene overnachting ook te laten vervallen, omdat de kinderen in dat geval hun vader negen dagen achter elkaar niet zouden zien. Dat acht de rechtbank niet in het belang van de kinderen. Zoals op de zitting is besproken en ook door de Raad is aangegeven, is duidelijkheid voor de kinderen belangrijk en zal dat hen ook rust brengen.
Op de zitting is met de ouders een nieuw hulpverleningstraject besproken, ondanks dat er al veel hulpverlening is geweest. Eerder is door de Jeugdbeschermingstafel parallel solo ouderschap geadviseerd, maar uiteindelijk is er een traject ouderschapsbemiddeling gevolgd. De rechtbank acht het, net als de Raad, belangrijk dat de ouders zich gaan richten op hun eigen situatie en meer afstand nemen van de situatie bij de andere ouder. Daarom is op de zitting met de ouders gesproken over een traject parallel solo ouderschap.
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan een traject parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Enver voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Enver.
Aangezien de rechtbank een eindbeschikking zal wijzen, zal de rechtbank niet de zogenoemde ‘lus’ naar de Raad opnemen voor het geval dat het traject niet leidt tot een positief resultaat. De uitvoerende hulpverlenende instantie hoeft de rechtbank ook geen verslag te doen van het verloop en het resultaat van het hulpverleningstraject. Dat neemt niet weg dat de rechtbank ervan uitgaat dat de ouders zich in het belang van de kinderen tot het uiterste zullen inspannen voor het traject.
Vakanties en feestdagen
De ouders hebben over de verdeling van de voorjaars-, mei-, herfst- en kerstvakantie overeenstemming bereikt. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen, nu zij deze verdeling ook in het belang van de kinderen acht. Met betrekking tot de zomervakantie wil de moeder graag een 1-2-2-1 verdeling en wil de vader een 3-3 verdeling. De rechtbank zal conform het verzoek van de moeder een 1-2-2-1 verdeling vaststellen. Daarbij neemt de rechtbank de leeftijd van de kinderen in overweging en de rechtbank is van oordeel dat er in twee weken tijd voldoende ruimte is voor een vakantie met de kinderen. Met betrekking tot het wisselmoment in de vakanties zal de rechtbank vaststellen dat die bij vakanties van langer van één week op zaterdag om 17.00 uur plaatsvindt. Daarbij overweegt de rechtbank dat de schoolvakanties beginnen op vrijdag uit school en duren tot maandag naar school. De vakantieregeling gaat voor op de reguliere zorgregeling.
Met betrekking tot Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren, Koningsdag, Sinterklaas en Vader- en Moederdag zijn de ouders het eens over de verdeling daarvan. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen, nu zij deze verdeling ook in het belang van de kinderen acht. De ouders hebben alleen geen overeenstemming bereikt over het Chinees nieuwjaar. De vader heeft toegelicht dat zijn schoonzusje Chinees is en zijn neefjes half-Chinees zijn, en dat zij waarde hechten aan de viering van het Chinees nieuwjaar. De moeder wil liever geen regeling vaststellen voor deze feestdag, omdat deze jaarlijks wisselt en het doordeweeks tot laat duurt als de kinderen de volgende dag school hebben. De rechtbank zal gelet op de toelichting van de vader vaststellen dat de kinderen Chinees nieuwjaar bij hem vieren. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat zij met hun familie feestdagen kunnen vieren die belangrijk voor de familie zijn.
Vervangende toestemming vakantie
De vader geeft aan dat hij graag met de kinderen op wintersport wil in Oostenrijk en hij heeft daarvoor een vakantie geboekt met de eerste overnachting op 28 december 2025. De vader wil daarom graag de overdracht van de kinderen op 27 december om 15.00 uur.
Op de zitting heeft de moeder gezegd dat zij geen probleem heeft met de geplande vakantie van de vader, maar dat zij wel graag wil weten waar de kinderen naartoe gaan. De rechtbank gaat ervan uit de ouders de toestemming voor de vakantie in onderling overleg regelen. Aangezien het verzoek van de vader niet op de zitting is ingetrokken, zal de rechtbank voor de volledigheid de vervangende toestemming verlenen. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat de vader de moeder informeert over waar hij en de kinderen op vakantie gaan.
Vervangende toestemming hulpverlening
De moeder geeft aan dat Regisseurs Jeugd van de gemeente [geboorteplaats] een KIES-training voor de kinderen hebben geadviseerd, waaraan [de minderjarige 1] onlangs heeft deelgenomen. Volgens de moeder heeft [de minderjarige 1] aangegeven dat zij het prettig vond om met iemand te praten, maar dat liever één op één wil doen in plaats van in een groepsgesprek. De moeder acht het in het belang van beide kinderen dat zij (bewegings)therapie bij Groei door Ervaring volgen. Aangezien de vader vaker zijn toestemming heeft gegeven en daarna weer heeft ingetrokken, heeft de moeder vervangende toestemming van de rechtbank verzocht.
De vader geeft aan dat [de minderjarige 1] de KIES-training niet fijn vond en dat zij aan hem heeft aangegeven dat zij er geen behoefte aan heeft om continue met mensen te praten. Volgens de vader is het aan de ouders om een hulpverleningstraject aan te gaan en daarmee de situatie voor de kinderen te verbeteren.
De rechtbank maakt zich zorgen om de kinderen. De rechtbank acht het voor de kinderen vooral belangrijk dat er een duidelijke zorgregeling is, dat de ouders daar uitvoering aan gaan geven en dat daarmee voor de kinderen de rust terugkeert. Dat heeft de Raad ook op de zitting geadviseerd. Op dit moment ziet de rechtbank geen indicatie dat de kinderen de door de moeder verzochte hulpverlening nodig hebben. Er is daartoe ook geen advies van een deskundige in het geding gebracht. De ouders gaan een traject parallel solo ouderschap volgen en daarmee met hulpverlening zich richten op verbetering van de huidige onrustige situatie. Dat zal ook effect hebben op het welzijn van de kinderen. Mocht op een later moment blijken dat het in het belang van één of beide kinderen is om toch bewegingstherapie of een andere vorm van hulpverlening te volgen, dan verwacht de rechtbank dat het de ouders lukt om daar samen afspraken over te maken. Voor nu ziet de rechtbank geen reden voor het verlenen van vervangende toestemming en zal daarom dit verzoek van de moeder afwijzen.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's.
Ingangsdatum
De rechtbank zal in redelijkheid als ingangsdatum de datum van deze beschikking hanteren. Daarbij overweegt de rechtbank dat de ouders tot op heden de kosten van de kinderen vanuit een gezamenlijke rekening betalen, zodat er geen reden is om met terugwerkende kracht een kinderalimentatie vast te stellen.
Behoefte
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun uiteengaan worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget.
De ouders zijn in 2023 feitelijk uit elkaar gegaan.
De ouders zijn het erover eens dat er op basis van hun inkomen sprake is van een maximaal NBGI van € 6.000,- per maand, zodat de behoefte van de kinderen in 2023 € 1.460,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.651,- per maand, te weten € 826,- per maand per kind.
Draagkracht
De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders moet conform de aanbevelingen uit het rapport 2025 in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.310)].
Zoals hierna zal blijken, bestaat er een tekort aan gezamenlijke draagkracht om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Aangezien de rechtbank onvoldoende gegevens heeft om te rekenen met de werkelijke woonlasten van partijen, zal de rechtbank bij beide partijen uitgaan van het woonbudget.
Draagkracht moeder
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 1.800,- bruto per maand, zoals blijkt uit de loonstroken van juni tot en met augustus 2025. De rechtbank gaat niet mee met de stelling van de vader dat er rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit voor 36 uur per week. De moeder werkt op dit moment 21 uur per week en om de schooltijden heen, wat de rechtbank niet onredelijk acht. Daarbij overweegt de rechtbank ook dat de moeder niet minder is gaan werken sinds de relatiebreuk van partijen. Naast het bruto loon houdt de rechtbank rekening met het IKB van € 317,- per maand, de pensioenpremie van € 169,- per maand en de aanvullende premie WGA van € 2,- per maand. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget berekent de rechtbank het NBI van de moeder op € 2.647,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de moeder bedraagt volgens de formule € 380,- per maand, te weten
70% x [2.647 - (0,3 x 2.647 + 1.310)].
Draagkracht vader
De vader heeft loonstroken van juli tot en met september 2025 overgelegd waaruit blijkt dat hij € 3.762,- per maand verdient op basis van een werkweek van 30 uur per week. Vast is komen te staan dat de vader tot eind 2023 samen met een compagnon, via ieders eigen holding, aandelen in een B.V. had. Eind 2023 is er een conflict tussen de compagnons ontstaan, waarna de vader geen inkomen meer uit de B.V. heeft ontvangen. De vader heeft aangegeven dat hij nog met zijn voormalig compagnon in gesprek is over de afwikkeling van hun bedrijf. De moeder is van mening dat er bij de berekening van de financiële draagkracht van de vader rekening moet worden gehouden met het gegeven dat de man (structureel) geld uit de afwikkeling van het bedrijf zal ontvangen.
De rechtbank constateert dat er geen informatie over de voormalige onderneming van de vader is overgelegd, maar dat duidelijk is dat er aan de zijde van de vader sprake is van een enorme inkomensteruggang sinds hij met zijn onderneming is gestopt. Op dit moment werkt de vader 30 uur per week. De rechtbank acht het in dit geval redelijk om rekening te houden met een fictief inkomen alsof de vader 36 uur per week werkt, omdat hij als directeur-grootaandeelhouder een inkomen van € 84.660,- per jaar ontving en er op dit moment geen enkele gegevens zijn over wat hij nog uit de onderneming zal ontvangen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de vader, hoewel dat wel van hem mocht worden verwacht, geen stukken over zijn voormalige onderneming heeft overgelegd; ook geen concept stukken of verklaringen van de boekhouder. Bij het vaststellen van de financiële draagkracht van de vader gaat de rechtbank daarom uit van een fictief inkomen dat gebaseerd is op zijn huidige salaris en een werkweek van 36 uur. Daarmee zegt de rechtbank niet dat van de vader wordt verlangd dat hij daadwerkelijk 36 uur per week gaat werken.
Gelet op de door de vader overgelegde loonstroken zal de rechtbank daarom uitgaan van een inkomen van € 4.514,- per maand (€ 3.762,- / 30 x 36) en IKB van € 745,- per maand
(€ 621,- / 30 x 36). Verder houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie van € 251,- per maand en de aanvullende premie van € 4,- per maand. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vader op € 3.645,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de vader bedraagt volgens de formule € 869,- per maand, te weten
70% x [3.645 - (0,3 x 3.645 + 1.310)].
Zorgkorting
Op de door de vader te betalen bijdrage dient in beginsel een zorgkorting in mindering te worden gebracht. De zorgkorting bedraagt een percentage van de behoefte, welk percentage afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Gelet op de vast te stellen zorgregeling ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met een zorgkorting van 35%. Het bedrag aan zorgkorting bedraagt € 578,- per maand (35% van € 1.651,-).
Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage van de man vermindert wordt een uitzondering gemaakt in het geval dat de gezamenlijke draagkracht van partijen onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Indien er een tekort aan draagkracht bestaat, komt de helft van dit tekort in mindering op de zorgkorting. In dit geval leidt dit tot de volgende conclusie.
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt (€ 380,- + € 869,- =) € 1.249,- per maand ten opzichte van een totale behoefte van de kinderen van € 1.651,- per maand. Het tekort aan draagkracht bedraagt € 402,- per maand. De helft van dit tekort, te weten € 201,- per maand, komt in mindering op de zorgkorting van de man. De man kan dus nog € 377,- per maand aan zorgkorting verzilveren (€ 578,- minus € 201,-).
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de vader te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] vaststellen op € 492,- per maand (€ 869,- minus € 377,-), te weten € 246,- per maand per kind.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarigen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] ,
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder;
*
stelt vast dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vader zullen zijn:
  • in de even weken: van woensdag uit school tot de daaropvolgende maandag naar school;
  • in de oneven weken: van donderdag uit school tot vrijdag naar school;
*
stelt als vakantie- en feestdagenregeling voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] vast:
  • voorjaarsvakantie: even jaren bij de moeder en oneven jaren bij de vader;
  • meivakantie: even jaren de eerste helft bij de moeder en de tweede helft bij de vader en in de oneven jaren andersom;
  • zomervakantie: maximaal twee weken achter elkaar bij de ene dan wel de andere ouder in een schema 1-2-2-1, waarbij in de even jaren de vader en in de oneven jaren de moeder uiterlijk op 1 januari van het betreffende jaar zijn/haar voorkeur opgeeft, en de andere ouder de eerste keus krijgt als niet tijdig de voorkeur is opgegeven;
  • herfstvakantie: even jaren bij de moeder en oneven jaren bij de vader;
  • kerstvakantie: even jaren de eerste helft bij de vader en de tweede helft bij de moeder en in de oneven jaren andersom;
  • Goede Vrijdag / Pasen: even jaren bij de vader en oneven jaren bij de moeder;
  • Hemelvaartsdag / Pinksteren: even jaren bij de moeder en oneven jaren bij de vader;
  • Koningsdag: bij de ouder bij wie de kinderen volgens de verdeling van de meivakantie zijn;
  • Sinterklaas: intocht bij de moeder en pakjesavond wordt gevierd in ieders eigen zorgmoment;
  • Chinees nieuwjaar: jaarlijks bij de vader;
  • Vader- en Moederdag: voor zover de kinderen volgens de reguliere zorgregeling niet al bij de betreffende ouder zijn, verblijven zij die dag bij de vader/moeder van 09.00 uur tot 17.00 uur;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de moeder] (de moeder),
wonende aan de [adres] , [postcode] [geboorteplaats] ,
en
[de vader] (de vader),
wonende aan de [adres] , [postcode] [geboorteplaats] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Enver voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Enver, Omgangsbegeleiding, J. van Lennepkade 6, 2802 LH Gouda ;
*
verleent toestemming aan de vader – welke toestemming die van de moeder vervangt – om met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , in de periode van 27 december 2025 tot en met 4 januari 2026 op vakantie te gaan naar Oostenrijk;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van heden, een kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 246,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van
9 december 2025.