In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 9 december 2025 een beschikking gegeven inzake de adoptie van een minderjarige, geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1], [land]. Verzoekers, de vader en verzoekster, hebben op 11 maart 2024 een verzoek ingediend tot stiefouderadoptie van de minderjarige. De vader is met het eenhoofdig gezag belast over de minderjarige, zoals vastgesteld in een eerdere beschikking van 4 juli 2025. De rechtbank heeft de verzoekers in de gelegenheid gesteld om een gelegaliseerde geboorteakte van de minderjarige in te dienen, wat heeft geleid tot de beoordeling van de inschrijving van de buitenlandse geboorteakte in het Nederlandse register.
De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster en de vader ten minste drie aaneengeschakelde jaren samen hebben geleefd en dat verzoekster de minderjarige sinds 12 januari 2020 verzorgt en opvoedt. De moeder van de minderjarige heeft in een schriftelijke verklaring haar toestemming gegeven voor de adoptie. De Raad voor de Kinderbescherming heeft aanvankelijk geadviseerd het verzoek af te wijzen, maar heeft zich na kennisname van de verklaring van de moeder gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft geoordeeld dat aan de wettelijke vereisten voor adoptie is voldaan en heeft het verzoek tot adoptie toegewezen. Tevens is bepaald dat de inschrijving van de geboorteakte van de minderjarige in het register van geboorten van de gemeente 's-Gravenhage zal plaatsvinden, op basis van de gelegaliseerde Gambiaanse akte van geboorte. De beschikking is uitgesproken ter openbare terechtzitting en is gegeven door een meervoudige kamer van kinderrechters.