ECLI:NL:RBDHA:2025:26166

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
C/09/694049 / JE RK 25-1879
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Trajectmachtiging voor uithuisplaatsing van een minderjarige in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp

In deze beschikking van de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag, uitgesproken op 9 december 2025, wordt een trajectmachtiging verleend voor de uithuisplaatsing van een minderjarige in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. De zaak betreft [minderjarige], geboren in 2008, die onder toezicht is gesteld en eerder al een machtiging tot uithuisplaatsing heeft gekregen. De gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland, heeft verzocht om een nieuwe machtiging voor een periode van drie maanden, gevolgd door een plaatsing in een open setting bij Ipse de Bruggen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] belemmeren. Tijdens de zitting is gebleken dat [minderjarige] positieve stappen heeft gezet in haar ontwikkeling, maar dat een gesloten plaatsing noodzakelijk blijft totdat er een plek beschikbaar is in de open groep. De kinderrechter heeft de machtiging verleend tot 10 maart 2026, met de mogelijkheid om eerder over te gaan naar de open groep indien daar ruimte is. De beschikking is openbaar uitgesproken en er is een mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/694049 / JE RK 25-1879
Datum uitspraak: 9 december 2025
Beschikking van de kinderrechter
Trajectmachtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp en aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. B.S. van Haeften uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 november 2025;
- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 14 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] met haar advocaat;
  • [naam 1] namens de gecertificeerde instelling;
  • [naam 2] , de pedagogisch medewerker vanuit [instelling 1] , door de kinderrechter aangemerkt als informant.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover - in het bijzijn van haar advocaat en de pedagogisch medewerker - een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2.
De feiten
2.1.
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] verblijft bij [instelling 1] .
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 juni 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 10 juni 2026 en een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 10 december 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden en aansluitend, voor de duur van de ondertoezichtstelling, een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder, te weten Ipse de Bruggen. De gecertificeerde instelling heeft op de zitting nader toegelicht dat zij daarmee een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder bedoelt.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en op de zitting nader toegelicht. Er zijn nog grote zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Zij functioneert op LVB-niveau. Uit diagnostisch onderzoek volgt dat er sprake is van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. [minderjarige] is kwetsbaar en beïnvloedbaar. Ook vertoont zij zelfbepalend en risicovol gedrag, waardoor zij in onveilige situaties terecht komt. Het is belangrijk dat [minderjarige] de mogelijkheid krijgt om zich verder te ontwikkelen richting volwassenheid. Naar verwachting kan [minderjarige] begin 2026 bij de [instelling 2] terecht, een behandelgroep van Ipse de Bruggen in Leiden. Het is noodzakelijk dat [minderjarige] tot die tijd bij [instelling 1] verblijft middels en gesloten machtiging tot uithuisplaatsing, omdat zij nog niet in staat is om met haar eigen verantwoordelijkheid en vrijheid om te gaan. Sinds bekend is waar [minderjarige] naartoe zal gaan, gaat het beter met haar op de groep. Doordat [minderjarige] nu therapie heeft gevolgd en er diagnostiek heeft plaatsgevonden, kan zij bij de [instelling 2] beter begeleid worden. De nieuwe jeugdbeschermer zal in het behandeloverleg bespreken hoe het met [minderjarige] gaat in therapie, hoe ervoor gezorgd kan worden dat [minderjarige] ’s therapie zo snel mogelijk voortgezet kan worden en hoe [minderjarige] de komende tijd met steeds meer vrijheden kan gaan oefenen. Daarnaast zal er in het schooloverleg besproken hoe het staat met de aanmelding van [minderjarige] bij het mbo.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens [minderjarige] is ingestemd met het verzochte. Het gaat goed met [minderjarige] bij [instelling 1] en zij heeft enorme positieve stappen gezet. [minderjarige] heeft baat bij de psychomotorische therapie en bij de schematherapie, waarbij onder meer gewerkt is aan traumaverwerking en het omgaan met emoties. [minderjarige] heeft dagbesteding en loopt stage waarbij zij activiteiten onderneemt met ouderen. [minderjarige] hoopt met behulp van [instelling 1] haar stageplek te kunnen behouden en uiteindelijk daar te kunnen gaan werken. [minderjarige] krijgt op de stageplek veel complimenten en het is voor haar een veilige en vertrouwde plek. [minderjarige] volgt momenteel onderwijs bij [instelling 1] en heeft zich aangemeld voor de mbo-opleiding assistent dienstverlening in Leiden. Zij moet nog horen of ze daar is aangenomen. [minderjarige] wil graag naar de open groep van Ipse de Bruggen in Leiden, waar zij al is aangenomen, en heeft behoefte aan een datum waarop dat kan. Het is belangrijk dat [minderjarige] tot die tijd leert om met steeds meer vrijheden om te gaan, omdat anders de overgang naar het begeleid wonen erg groot zal zijn. Als [minderjarige] verhuisd is, zal zij schematherapie krijgen bij [instelling 3] om haar trauma’s te kunnen verwerken. Als [minderjarige] meer behandeling nodig heeft dan is dat ook mogelijk bij [instelling 3] .
4.2.
Desgevraagd heeft de pedagogisch medewerker naar voren gebracht dat zij denkt dat het mogelijk is om met [minderjarige] ’s huidige en nieuwe school te regelen dat zij haar stageplek kan behouden als [minderjarige] het daar goed blijft doen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [1]
5.2.
Daartoe overweegt de kinderrechter dat [minderjarige] de afgelopen periode mooie stappen heeft gezet tijdens de gesloten plaatsing op [instelling 1] en toe is aan een passende vervolgstap. Het diagnostisch onderzoek wijst uit dat [minderjarige] een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling heeft en baat heeft bij de psychomotorische therapie en bij de schematherapie. Het is belangrijk dat er een zorgvuldige overgang plaats zal vinden van een gesloten naar een open setting om een terugval bij [minderjarige] te voorkomen. Daarom is het noodzakelijk dat [minderjarige] de komende periode zal gaan oefenen met het verkrijgen van steeds meer vrijheden en dat zij hierbij goed begeleid wordt. Het is knap dat [minderjarige] zelf tot dit inzicht is gekomen en actief vraagt om hierbij geholpen te worden. Het is daarnaast van belang dat er in aanloop naar [minderjarige] ’s verhuizing door de jeugdbeschermer - met ondersteuning vanuit [instelling 1] - wordt gekeken naar het voortzetten van een passende dagbesteding voor [minderjarige] . Dit betekent dat [minderjarige] ondersteund moet worden in het aanmeldingsproces voor haar opleiding, zodat zij daar in februari mee kan starten. Ook moet er worden gekeken of het mogelijk is voor [minderjarige] om haar stageplek te behouden en moet er geregeld worden dat [minderjarige] zo snel mogelijk haar therapie kan voortzetten bij [instelling 3] .
5.3.
[minderjarige] zal begeleid gaan wonen bij Ipse de Bruggen. Daar zal zij zich verder positief kunnen gaan ontwikkelen en werken aan haar zelfstandigheid. Zo lang nog niet duidelijk is wanneer [minderjarige] daar terecht kan, acht de kinderrechter de gesloten plaatsing nog steeds passend en noodzakelijk. Zodra de plek bij Ipse de Bruggen beschikbaar is, zal [minderjarige] daar naar toe verhuizen. Daarom acht de kinderrechter het afgeven van een trajectmachtiging het meest in het belang van [minderjarige] . De trajectmachtiging biedt de mogelijkheid om invulling te geven aan de overplaatsing van [minderjarige] na de gesloten plaatsing, die zo kort mogelijk dient te duren, naar de open groep. De kinderrechter zal de trajectmachtiging toewijzen tot 10 juni 2026, met een maximum van drie maanden voor de gesloten plaatsing. Als [minderjarige] daarvoor bij de open groep terecht kan, dan vervalt de machtiging voor de gesloten plaatsing met ingang dat van de datum dat van de aansluitende plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder gebruik wordt gemaakt.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 10 december 2025 tot 10 maart 2026;
6.2.
verleent aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 10 december 2025 tot 10 juni 2026;
6.3.
bepaalt dat de machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp vervalt met ingang van de datum waarop de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ten uitvoer wordt gelegd.
6.4.
verklaart deze beschikking onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 18 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).