ECLI:NL:RBDHA:2025:26156
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 15 oktober 2025, waarna alleen de periode daarna werd beoordeeld.
Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij zijn uitzetting, omdat de uitzettingshandelingen niet tot resultaat leidden en er geen persoonlijk contact was met de Egyptische vertegenwoordiger. Verweerder overlegde echter meerdere keren schriftelijk met de Egyptische autoriteiten en voerde diverse vertrekgesprekken met eiser. Ook werd extra aandacht gevraagd voor de laissez-passer aanvraag.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld en dat het voortduren van de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was. Tevens werd ambtshalve getoetst of het beginsel van non-refoulement of het familie- en gezinsleven zich tegen verwijdering verzetten, wat niet het geval bleek.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.