ECLI:NL:RBDHA:2025:26071
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag mvv op basis van artikel 8 EVRM en beoordeling van emotionele banden
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 10 december 2025, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) behandeld. Eiser, geboren in 1996 en van Iraanse nationaliteit, had de aanvraag ingediend om bij zijn tante in Nederland te kunnen verblijven, met als grondslag artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat het recht op respect voor privé- en gezinsleven waarborgt. De minister van Asiel en Migratie had de aanvraag afgewezen, omdat er volgens hem geen sprake was van een beschermenswaardig familieleven. Eiser was het niet eens met deze afwijzing en voerde verschillende beroepsgronden aan.
De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag aan de hand van de door eiser aangevoerde gronden. De rechtbank concludeert dat er geen emotionele banden zijn die het gangbare overstijgen, zoals vereist is voor de erkenning van een familie- of gezinsleven onder artikel 8 EVRM. De minister had terecht geen belangenafweging hoeven maken, omdat er geen familie- of gezinsleven is vastgesteld. De rechtbank wijst erop dat de relatie tussen eiser en zijn tante niet meer dan gebruikelijk is en dat de door eiser gestelde afhankelijkheid niet voldoende is onderbouwd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat eiser geen griffierecht terugkrijgt en ook geen vergoeding van proceskosten ontvangt.