3.4.Bewijsoverwegingen
Inleiding
Op 19 juni 2025 kwam er een melding bij de politie binnen dat er een schietincident had plaatsgevonden in de [straatnaam] in Zoetermeer. Nadat de politie ter plaatse was gekomen, troffen zij daar de aangever [de aangever] (hierna: de aangever) aan met verwondingen op zijn hoofd en in zijn gezicht. In het ziekenhuis bleek hij een schotwond onder zijn oog, een schotwond in zijn achterhoofd, diverse breuken in zijn gezicht en een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies te hebben.
De aangever heeft bij de politie, op de dag van het incident en een paar dagen later in een aanvullende verklaring, verklaard dat hij op 19 juni 2025 naar de woning van zijn ex-vriendin was gegaan om zijn kinderen te bezoeken. Bij de woning kwam de verdachte, op dat moment de vriend van de ex-vriendin van aangever, naar buiten en begon ruzie te zoeken met de aangever. De verdachte heeft vervolgens de kinderen naar binnen gestuurd, waarna hij de aangever een paar keer beschoten heeft met een vuurwapen en hem vervolgens met dit vuurwapen op zijn hoofd heeft geslagen. De verdachte is daarna weggerend.
De verdachte heeft in zijn eerste politieverhoor een korte verklaring gegeven. Hij heeft toen verklaard dat de aangever hem bij de woning zou hebben aangevallen, dat er een wapen was en dat deze is afgegaan. De verdachte heeft zich in latere verhoren steeds op zijn zwijgrecht beroepen. Op de terechtzitting van 18 december 2025 is de verdachte met een meer uitgebreide en concrete verklaring gekomen, waarin hij een andere lezing geeft van het incident dan de aangever. De aangever zou inderdaad naar de woning zijn gekomen, maar de aangever zou degene zijn geweest die het vuurwapen had meegenomen. De verdachte heeft verklaard dat de aangever met een rare boze blik keek en iets achter zijn rug hield en handschoenen aanhad. De aangever werd steeds agressiever, waardoor de verdachte de kinderen naar binnen stuurde. Toen de deur dicht ging, trok de aangever iets zwarts achter zijn rug – wat een vuurwapen bleek te zijn – waarna er een worsteling ontstond, waarbij de aangever het vuurwapen op de verdachte richtte. De verdachte heeft geprobeerd het wapen af te wenden met als gevolg dat het wapen afging en de aangever is geraakt. De verdachte heeft hierna het wapen afgepakt en gericht op de aangever. Toen de aangever vervolgens naar voren naar de verdachte dook, heeft de verdachte met het vuurwapen geschoten en is de aangever voor een tweede keer geraakt. Hierna heeft de verdachte de aangever een paar keer met het vuurwapen geslagen. Toen de verdachte besefte wat hij had gedaan, is hij weggerend.
Alternatief scenario
De verdachte is pas op de terechtzitting van 18 december 2025 met een uitgebreide verklaring gekomen over de toedracht van het schietincident. Dit maakt het mogelijk dat de verdachte zijn verklaring op de inhoud van het dossier heeft afgestemd. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte van begin af aan geen volledige openheid van zaken heeft gegeven en pas later met een meer concrete verklaring is gekomen, waarbij hij de aangever aanwijst als degene die het wapen bij zich had en die hem daarmee wilde aanvallen. Als de gang van zaken geweest zou zijn zoals de verdachte nu verklaart, dan had het naar het oordeel van de rechtbank voor de hand hebben gelegen dat de verdachte de kern van zijn zienswijze op de toedracht gelijk bij de politie zou hebben verteld. De verdachte heeft dit echter tot aan de inhoudelijke behandeling van de zaak niet gedaan.
Uit de getuigenverklaringen ontstaat het beeld – anders dan de verdachte heeft verklaard – dat de verdachte de agressor was en hij de aangever aanviel. Volgens de getuige [getuige 1] was het de verdachte die boos werd toen de aangever aan de deur kwam en zou de aangever steeds rustig zijn gebleven. De verdachte heeft de aangever daarna tegen de container gedrukt. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren ook dat zij allebei een paar knallen hoorde en dat deze schoten snel achter elkaar kwamen. Dit komt overeen met de verklaring van de getuige [getuige 3] , die heeft verklaard dat zij – hoewel zij het geluid van schoten niet herkende – halverwege de trap stond toen zij twee keer een geluid hoorde. Deze verklaringen rijmen niet met de lezing van de verdachte. Hij heeft ter terechtzitting immers verklaard dat er vijf tot tien seconden tussen het eerste en tweede schot zat, hetgeen niet als “snel achter elkaar” kan worden beschouwd. De getuigenverklaringen ondersteunen daarmee eerder de verklaring van de aangever.
De rechtbank ziet ook andere contra-indicaties voor het scenario van de verdachte. Zij merkt op dat de verdachte na het incident is gevlucht en zich pas enkele (vijf) dagen later heeft gemeld bij de politie. Verder is er geen vuurwapen aangetroffen op de plaats delict, terwijl de politie op die plek een uitgebreid sporenonderzoek heeft gedaan. Deze omstandigheden passen eerder bij het scenario dat de verdachte de agressor was en het wapen bij zich had en weer heeft meegenomen op zijn vlucht, dan dat de aangever het wapen bij zich had, zoals de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het door de verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk geworden en verwerpt dit scenario. Dit betekent dat de rechtbank uitgaat van de verklaring van de aangever dat het de verdachte is geweest die het wapen bij zich droeg, dit wapen heeft getrokken en vervolgens twee keer op de aangever heeft geschoten waarbij de kogels in het hoofd van de aangever terecht zijn gekomen. Gelet op de verklaring van aangever over de toedracht en de verklaring van de getuige [getuige 1] , zijn die schoten naar het oordeel van de rechtbank van dichtbij gelost. De verdachte heeft vervolgens met het vuurwapen meermaals op het hoofd van de aangever geslagen.
Vrijspraak poging tot moord
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het handelen van de verdachte kan worden gekwalificeerd als een poging tot moord. De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat dit primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij. Het dossier en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld, bieden onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte de aangever heeft beschoten met voorbedachten raad.
Poging tot doodslag
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte
moet worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag. Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te komen, moet kunnen worden bewezen dat de verdachte opzet op de dood van de aangever heeft gehad, al dan niet in voorwaardelijke zin. Van voorwaardelijk opzet op de dood is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever als gevolg van zijn handelen zou kunnen komen te overlijden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de kans op de dood van de aangever niet aanmerkelijk was, omdat het vuurwapen niet geschikt was om dodelijk letsel mee toe te brengen en er het bij de verdachte toegebrachte letsel niet levensbedreigend is gebleken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte met een vuurwapen twee keer van dichtbij in het hoofd van de aangever heeft geschoten. Gelet op de baan van de kogels zoals aangetroffen in het hoofd van de aangever, moet er ook van worden uitgegaan dat de verdachte in de richting van het hoofd heeft geschoten (en niet bijvoorbeeld naar beneden of in de lucht). Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is waarin zich de hersenen bevinden. Dat in dit geval sprake was van een vuurwapen met een gladde en te ruime loop waardoor de kogels minder hard werden afgeschoten of minder diep konden doordringen, doet niet af het feit dat in de gegeven omstandigheden dodelijk letsel bij de aangever had kunnen ontstaan. Het forensisch geneeskundig rapport stelt immers ook dat de gebruikte munitie in combinatie met het wapen de weke delen tot tenminste tien centimeter of de schedel had kunnen penetreren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de kans dat de verdachte de aangever dodelijk had kunnen raken aanmerkelijk was. Niet het daadwerkelijke letsel is bepalend voor de bewezenverklaring maar de aanmerkelijke kans op de dood door het handelen van de verdachte.
De gedragingen van de verdachte – het van dichtbij in de richting van het hoofd van de aangever twee keer schieten met een vuurwapen – kunnen tevens naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van contra-indicaties is niet gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangever. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag.