ECLI:NL:RBDHA:2025:26014

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
C/09/695912 / KG ZA 25-1216
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing van de executie van een verstekvonnis in een huurgeschil

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Den Haag op 15 december 2025, betreft het een kort geding waarin eiser, vertegenwoordigd door advocaat mr. O. Sahin, verzoekt om schorsing van de executie van een eerder verstekvonnis. Dit verstekvonnis, uitgesproken op 6 november 2025, had de ontbinding van een huurovereenkomst en ontruiming van een woning bevolen. Eiser betwist de hoogte van de huurachterstand die aan de ontbinding ten grondslag lag en stelt dat hij niet op de hoogte was van de mogelijkheid om verweer te voeren. De voorzieningenrechter heeft de executie van het verstekvonnis geschorst, omdat de belangen van eiser bij behoud van de huidige situatie zwaarder wegen dan die van gedaagde bij onmiddellijke uitvoering van het vonnis. De voorzieningenrechter heeft daarbij overwogen dat er onduidelijkheid bestaat over de huurachterstand en dat de ontruiming grote gevolgen voor eiser kan hebben. De schorsing blijft van kracht zolang eiser zijn huurverplichtingen nakomt en de verzetprocedure tijdig aanhangig maakt. Gedaagde is veroordeeld in de proceskosten van eiser, die procedeert met een toevoeging.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/695912 // KG ZA 25-1216
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 15 december 2025
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats],
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. O. Sahin,
tegen
[gedaagde], H.O.D.N. [handelsnaam]te [woonplaats],
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
Aanwezig is mr. D.R. Glass, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. W. Jansen, griffier.
Tevens zijn aanwezig: [eiser], vergezeld van mr. Sahin, en [gedaagde].
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1.De gronden van de beslissing

1.1.
Bij verstekvonnis van 6 november 2025 (hierna: het Vonnis) heeft de kantonrechter van deze rechtbank de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de onzelfstandige woonruimte aan de [adres] te [plaats] ontbonden en [eiser] veroordeeld de woning te ontruimen. Daarnaast is [eiser] in het Vonnis veroordeeld tot betaling van € 4.593,93 aan achterstallige huur berekend tot en met september 2025 en € 477,99 voor iedere maand dat [eiser] het gehuurde in bezit houdt, te vermeerderen met rente en met de proceskosten. Het Vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
1.2.
[gedaagde] heeft het Vonnis op 27 november 2025 aan [eiser] doen betekenen en bevel gedaan tot betaling van € 3.503,25 te vermeerderen met de proces- en executiekosten. In het exploot is de ontruiming aangezegd tegen 15 december 2025.
1.3.
Bij e-mail van 1 december 2025 heeft de advocaat van [eiser] aan de behandelend deurwaarder meegedeeld dat hij in verzet zal gaan tegen het Vonnis en verzocht om de ontruiming uit te stellen.
1.4.
Bij e-mail van 2 december 2025 heeft de deurwaarder aan de advocaat van [eiser] meegedeeld dat de ontruiming niet wordt geannuleerd.
1.5.
In dit kort geding vordert [eiser], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde] te gebieden de executie van het Vonnis primair te schorsen en geschorst te houden, subsidiair in ieder geval er een beslissing is genomen in de verzetprocedure, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
[gedaagde] voert verweer tegen het gevorderde.
1.6.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de executie van het Vonnis te schorsen. Het gevorderde wordt op de hierna te vermelden wijze toegewezen. Daartoe is het volgende redengevend.
1.7.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan.
1.8.
Deze regel geldt in beginsel ook voor een verstekvonnis. Bij een verstekvonnis kan wel eerder dan bij een op tegenspraak gewezen vonnis de conclusie worden getrokken dat naderhand is gebleken van feiten, die – waren zij eerder bekend geweest – naar verwachting tot een andere uitspraak zouden hebben geleid. Verder kan aanleiding bestaan om de (strikte) norm te nuanceren, indien de niet-verschijning en het niet gevoerd hebben van een mogelijk gegrond verweer niet, of niet ten volle, aan de veroordeelde kan worden toegerekend.
1.9.
De in het Vonnis toegewezen ontbinding en ontruiming is toegewezen op grond van de in de dagvaarding vermelde huurachterstand van € 4.164,24 over de periode tot en met 1 september 2025. Deze huurachterstand zou zijn ontstaan in de periode vanaf 2017, onder meer door het onbetaald laten van huurverhogingen. [eiser] heeft de hoogte van de huurachterstand betwist en de achterstand becijferd op € 358,43. Bij de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] vervolgens verklaard dat de huurachterstand op dit moment € 2.041,69 bedraagt. Geen van partijen heeft een duidelijk betalingsoverzicht verstrekt, zodat de omvang van de huurachterstand niet met zekerheid kan worden vastgesteld.
1.10.
[eiser] heeft gesteld dat hij na ontvangst van de dagvaarding contact heeft opgenomen met het kantoor van de deurwaarder en dat tegen hem is gezegd dat hij niet naar de kantonrechter hoefde te gaan. Of dit zo is, kan in dit kort geding niet worden vastgesteld, maar het is ook niet duidelijk of de deurwaarder [eiser] heeft gewezen op de mogelijkheid om verweer te voeren. Zeker is dat de kantonrechter geen kennis heeft genomen van de verweren van [eiser].
1.11.
Gelet op de onduidelijkheid van de huurachterstand in combinatie met de lange periode waarin die achterstand zou zijn ontstaan, kan niet worden uitgesloten dat de kantonrechter tot een andere uitspraak zou zijn gekomen als [eiser] wel verweer had gevoerd. Daar komt bij dat ook niet duidelijk is in hoeverre het niet-verschijnen van [eiser] aan hem kan worden toegerekend. Verder is de ontruiming onomkeerbaar en het is aannemelijk dat deze grote gevolgen heeft voor [eiser], omdat hij met zijn inkomen niet snel vervangende woonruimte kan vinden en hij onweersproken heeft gesteld dat ook de opvangcentra overvol zijn. Deze gevolgen behoren er niet te zijn voordat er meer duidelijkheid is over de omvang van de huurachterstand en de vraag of deze de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Onder die omstandigheden kan van [gedaagde] worden gevergd dat hij de uitkomst van de verzetprocedure afwacht, mits vanaf nu de lopende termijnen steeds stipt worden voldaan. [gedaagde] heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld die maken dat hij de uitkomst van de verzetprocedure niet kan afwachten. De klachten over het gedrag van [eiser] tegenover de andere huurders, zijn in dat verband onvoldoende, aangezien deze klachten geen onderwerp waren van de procedure bij de kantonrechter.
1.12.
Zolang [eiser] vanaf nu stipt betaalt, wegen zijn belangen bij behoud van de bestaande toestand zwaarder dan die van [gedaagde] bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van het Vonnis. De voorzieningenrechter zal daarom de uitvoerbaarheid van het Vonnis schorsen. Dit betekent dat de (kennelijk kort voor de mondelinge behandeling uitgestelde) ontruiming niet kan worden uitgevoerd totdat er in de verzetprocedure is beslist. De schorsing verliest haar werking indien [eiser] vanaf vandaag niet uiterlijk op de eerste van de betreffende maand een vergoeding van € 477,99 over die maand voldoet. Verder verliest de schorsing uiteraard ook haar werking indien de kantonrechter in die procedure een (uitvoerbaar bij voorraad verklaard) vonnis heeft gewezen of die procedure op de andere wijze wordt beëindigd. Daarnaast zal de voorzieningenrechter bepalen dat de schorsende werking vervalt indien [eiser] de verzetprocedure niet binnen een week na vandaag aanhangig heeft gemaakt.
1.13.
Ten overvloede wijst de voorzieningenrechter [eiser] erop dat het in zijn belang is om ervoor te zorgen dat de buren geen reden hebben om over hem te klagen.
1.14.
[gedaagde] is daarmee grotendeels in het ongelijk gesteld en hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Aangezien [eiser] procedeert met een toevoeging geldt bij de begroting van de proceskosten het volgende. Eisers met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Verder worden in dat geval de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot en/of advertentiekosten van rijkswege vergoed. Die kosten zijn dus niet voor rekening van de eisende partij. Deze partij heeft aan de deurwaarder slechts de in het exploot opgenomen kosten voor verschotten hoeven voldoen (artikel 40 lid 1 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000). Gelet op het voorgaande wordt de gedaagde partij slechts veroordeeld tot betaling van het lagere griffierecht, de verschotten en ten slotte tot vergoeding van het salaris van de advocaat. Deze vergoeding voor het salaris moet door de advocaat worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat toegekende vergoeding.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht € 90,00
- salaris advocaat € 715,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 983,00
1.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

2.De beslissing

De voorzieningenrechter:
2.1.
schorst de executie van het Vonnis:
2.2.
bepaalt dat deze schorsing haar werking verliest indien
vanaf nu de (huur)vergoeding niet steeds vóór de eerste dag van de betreffende maand wordt voldaan;
het verzet niet binnen een week na vandaag aanhangig is gemaakt;
2.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 983,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
2.4.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
2.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
2.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
mr. W. Jansen mr. D.R. Glass