ECLI:NL:RBDHA:2025:26009
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning zelfstandige
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel arbeid als zelfstandige. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 27 november 2024 afgewezen. Vervolgens is het bezwaar van verzoeker op 25 maart 2025 eveneens afgewezen door de minister.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 30 oktober 2025 samen met de bodemzaak behandeld. Gezien de uitspraak in de bodemzaak (zaaknummer NL25.14720) acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan op 12 december 2025 door rechter C.M. Dijksterhuis, in aanwezigheid van griffier M.M. Tank.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de bodemzaak reeds is beslist.