In deze zaak heeft eiser, wonende in Den Haag, beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, dat op 25 augustus 2022 een omgevingsvergunning voor het verkleinen van een winkel en het vergroten van een woning heeft geweigerd. Eiser had op 20 april 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd, maar het college bleef bij de weigering na het bestreden besluit van 1 mei 2023. De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2025 behandeld, waarbij zowel eiser als de gemachtigden van eiser en het college aanwezig waren. In een tussenuitspraak van 8 mei 2025 heeft de rechtbank het college de kans gegeven om het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het college heeft echter besloten om de omgevingsvergunning alsnog te verlenen, maar heeft geen herstel van het besluit uitgevoerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en op basis van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat een nadere zitting niet nodig was.
Eiser heeft de rechtbank op 2 december 2025 geïnformeerd dat de omgevingsvergunning nog niet was verleend en verzocht om een termijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van eiser gegrond is, gezien de mededeling van het college dat het de omgevingsvergunning zal verlenen. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Het college is opgedragen om binnen zes weken na de uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser. Tevens is bepaald dat het college het griffierecht van € 184,- en de proceskosten van in totaal € 3.108,- aan eiser moet vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter R.H. Smits en is openbaar uitgesproken op 22 december 2025.