ECLI:NL:RBDHA:2025:25979

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
C/09/695757 / JE RK 25-2091
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige met complexe problematiek

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag op 23 december 2025 een beschikking gegeven over de machtiging tot gesloten jeugdhulp voor een minderjarige, geboren in 2008. De gecertificeerde instelling, Stichting NIDOS, heeft verzocht om deze machtiging, omdat de minderjarige, die sinds 31 oktober 2025 bij een instelling verblijft, een zeer belast verleden heeft en er zorgen zijn over haar gedrag, waaronder middelengebruik en mogelijke criminele activiteiten. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige, ondanks enige positieve ontwikkelingen, nog niet in staat is om in een open setting te functioneren. De kinderrechter heeft de noodzaak van gesloten jeugdhulp onderbouwd met de ernst van de opgroei- en opvoedingsproblemen van de minderjarige, die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. De kinderrechter heeft de machtiging verleend om de minderjarige tot haar meerderjarigheid, tot 10 mei 2026, in een gesloten accommodatie te plaatsen. Deze beslissing is genomen om haar stabiliteit en bescherming te waarborgen en om ervoor te zorgen dat zij de noodzakelijke hulp en begeleiding ontvangt. De vader van de minderjarige heeft telefonisch ingestemd met het verzoek, terwijl de minderjarige zelf verzet heeft aangetekend tegen de gesloten plaatsing, maar de kinderrechter heeft geoordeeld dat dit op dit moment niet haalbaar is. De beschikking is openbaar uitgesproken en op schrift gesteld op 5 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/695757 / JE RK 25-2091
Datum uitspraak: 23 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
Stichting NIDOS, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] ,
advocaat mr. C.J. Berghout uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 december 2025;
- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 11 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 december 2025 bij [instelling] . Daarbij waren aanwezig:
- [de minderjarige] met haar advocaat;
  • [naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
  • [naam 3] , de begeleider van [de minderjarige] , als toehoorder.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen. De zorgmedewerker van de vader heeft hem telefonisch afgemeld.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting en in het bijzijn van haar advocaat en begeleider een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare stukken kan afleiden, is de gecertificeerde instelling belast met de voogdij over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij [instelling] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 oktober 2025 een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 1 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot aan haar meerderjarigheid, zijnde tot [geboortedatum] 2026. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd.
3.2.
[de minderjarige] is een zeventienjarig meisje met een zeer belast verleden. [de minderjarige] verblijft sinds 31 oktober 2025 bij [instelling] . Hier wordt gezien dat zij voorzichtige positieve stappen zet door minder (lang) weg te lopen en op zoek te gaan naar een baantje. Er blijven echter zorgsignalen aanwezig die door de begeleiders van [instelling] worden opgemerkt, zoals zelfbepalend gedrag en een ernstiger middelengebruik dan aanvankelijk gedacht. Ook bestaat de zorg dat [de minderjarige] zich bezig zou houden met criminele activiteiten. Op 27 november 2025 heeft een incident plaatsgevonden. Het incident is aan de politie doorgegeven. Het blijkt tijdens verlofmomenten moeilijk voor haar om zich aan de gemaakte afspraken te houden en op tijd terug te keren. Bij haar terugkomst op de groep wordt vrijwel altijd opgemerkt dat ze onder invloed van middelen is.
Doordat [de minderjarige] tussentijds is overgeplaatst naar [instelling] , moest haar traject opnieuw worden opgestart. Inmiddels is er een behandelplan opgesteld waar [de minderjarige] op korte termijn mee kan starten. Dit stelt de gecertificeerde instelling in staat om een vervolgtraject te bepalen dat het beste aansluit bij haar ontwikkelingsbehoeften en problematiek. [de minderjarige] toont echter weinig intrinsieke motivatie hiervoor. [de minderjarige] is aangemeld voor een vervolgtraject na haar 18° verjaardag. Zij is aangemeld voor Vast en Verder en Housing First vanuit het Leger des Heils.
Hiernaast is zij ook aangemeld voor de expertisetafel om extra expertise in te winnen om uit te zoeken welke hulp het meest passend is voor haar en ook is de aanvraag voor financiering onder de WMO ingediend voor na 10 mei 2026. Zodra diagnostiek is afgenomen en de resultaten beschikbaar zijn, kunnen mogelijk ook nog andere opties worden overwogen. Het verlengen van de machtiging tot gesloten plaatsing van [de minderjarige] tot haar achttiende verjaardag is noodzakelijk om haar stabiliteit en bescherming te bieden en om meer duidelijkheid te krijgen over haar problematiek. Daarnaast zijn er wachtlijsten voor de mogelijke vervolgplek en is haar problematiek te complex voor een open setting. Ook kan [de minderjarige] op dit moment niet bij de vader wonen. Bovendien moet onderzocht worden of en hoe het contactherstel met haar familie opgebouwd kan worden, aangezien [de minderjarige] hier tot op heden ambivalent in lijkt te zijn. Dit proces zal tijd en zorgvuldigheid vereisen, gezien de complexe relaties en haar huidige situatie.

4.De standpunten

4.1.
[de minderjarige] heeft verweer gevoerd tegen het verzoek. Zij heeft het gevoel dat zij al lange tijd gesloten geplaatst zit, maar dat er geen vooruitgang wordt geboekt. Zij wil graag in een open setting worden geplaatst en op termijn begeleid gaan wonen. De gesloten setting is niet passend voor haar. [de minderjarige] is bereid mee te werken aan behandeling als dit noodzakelijk wordt geacht, maar is hier eigenlijk zelf op dit moment nog niet aan toe.
4.2.
De advocaat van [de minderjarige] heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij een verandering bij [de minderjarige] heeft opgemerkt sinds de vorige zittingen. [de minderjarige] is minder weggelopen de laatste tijd en zet positieve stapjes. Ze is er echter nog niet. [de minderjarige] heeft nog moeite wanneer anderen beslissingen voor haar nemen, wat niet gek is gezien haar belaste verleden. [de minderjarige] geeft zelf aan geen gesloten plaatsing te willen, maar er is nu geen andere optie voor haar. Om [de minderjarige] de structuur en het verblijf te geven dat zij nodig heeft en om te zorgen dat de noodzakelijke zaken voor na haar meerderjarigheid kunnen worden geregeld, is een gesloten plaatsing nog nodig. De advocaat refereert zich daarom aan het oordeel van de kinderrechter.
4.3.
De vader stemt blijkens het telefonische gesprek tussen de rechtbank en zijn zorgmedewerker in met het verzochte.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [de minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [1] De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.2.
De kinderrechter ziet dat er veel zorgen zijn over hoe het nu met [de minderjarige] gaat. [de minderjarige] heeft een belast verleden en moet dit nog verwerken. Hoewel het positief is dat [de minderjarige] sinds haar verblijf bij [instelling] minder is weggelopen en zij actief bezig is met haar school en het vinden van een baantje, wordt nog steeds gezien dat zij wanneer zij meer vrijheid krijgt, vervalt in oud gedrag. Hiernaast zijn er ernstige zorgen over middelengebruik en criminele activiteiten. Hoewel de wens van [de minderjarige] om in een open setting geplaatst te worden begrijpelijk is, gezien de duur van haar plaatsing in de gesloten setting tot dusver, is het duidelijk dat een open setting voor [de minderjarige] op dit moment nog niet passend is. Hoe zwaar dit ook voor haar is, zonder behandeling, structuur en het zich houden aan regels en afspraken zal de toekomst van [de minderjarige] op het spel staan. [de minderjarige] is bijna achttien en het is in haar belang dat in de komende periode nog alle zeilen bijgezet worden om haar zo goed mogelijk voor te bereiden op haar meerderjarigheid en om te zorgen dat al het noodzakelijke voor haar is ingezet, om zo te voorkomen dat zij na haar achttiende levensjaar opnieuw in een situatie terecht komt waar zij alleen op zichzelf is aangewezen. Hierbij is het in haar belang dat in de komende periode nog diagnostiek en behandeling wordt ingezet om de meest passende hulpverlening voor haar te kunnen vinden. Om dit mogelijk te maken is het voor [de minderjarige] noodzakelijk dat zij rust en stabiliteit blijft behouden, wat [instelling] haar kan bieden. Het is hierbij ook van belang dat [de minderjarige] zich ook zelf gaat inzetten om zo optimaal mogelijk te profiteren van de aangeboden hulpverlening, begeleiding, en behandeling.
5.3.
De kinderrechter machtigt daarom de gecertificeerde instelling om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot aan haar meerderjarigheid.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 1 januari 2026 tot 10 mei 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 5 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).