Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging nareis. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 25 oktober 2024 waarin een beslistermijn van acht weken werd opgelegd aan de minister. Omdat de minister binnen deze termijn geen besluit heeft genomen, is het beroep ontvankelijk en gegrond.
De rechtbank wijst het verzoek van de minister om het beroep aan te houden af, omdat een aanhouding de prikkel voor tijdige besluitvorming wegneemt. De minister heeft geen verweerschrift ingediend, waardoor onduidelijk blijft wanneer alsnog een besluit zal volgen. De rechtbank legt daarom een nieuwe beslistermijn van twee weken op en verbindt hieraan een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser, die een professionele gemachtigde inschakelde. De rechtbank benadrukt dat de bestuurlijke dwangsom uit eerdere procedures niet opnieuw wordt vastgesteld, omdat de minister door het niet naleven van de rechterlijke termijn van rechtswege in verzuim is. De uitspraak is openbaar en kan worden aangevochten middels een verzetschrift binnen zes weken.