ECLI:NL:RBDHA:2025:25821

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
4 januari 2026
Zaaknummer
C/09/675088 / FA RK 24-7853
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling en kinderalimentatie na raadsonderzoek in een familierechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 4 december 2025 een beschikking gegeven in een familierechtelijke procedure betreffende de zorgregeling en kinderalimentatie voor de minderjarige [minderjarige]. De rechtbank heeft bepaald dat de minderjarige voorlopig bij de vader zal verblijven en dat de vader aan de moeder een kinderalimentatie van € 377,- per maand zal betalen. De beschikking is het resultaat van een verzoek dat op 4 november 2024 is ingediend door de vader, die werd bijgestaan door zijn advocaat, mr. S. Burger. De moeder, vertegenwoordigd door haar advocaat, mr. J.L.J. Kapteijn, is als belanghebbende aangemerkt. De rechtbank heeft in eerdere beschikkingen al bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder is en heeft de moeder toestemming verleend voor deelname aan een cursus. De Raad voor de Kinderbescherming heeft een regulier onderzoek uitgevoerd en geadviseerd over de zorgregeling, waarbij de vader wekelijks contact met de minderjarige kan hebben. De rechtbank heeft de zorgregeling voorlopig vastgesteld en de verdere beslissing over de zorgregeling en proceskosten aangehouden in afwachting van aanvullend onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank heeft de ouders aangespoord om hulpverlening in te schakelen en ouderschapsbemiddeling te overwegen. De beschikking is openbaar gedaan en de rechtbank heeft de ouders verzocht om zich aan het stappenplan voor de zorgregeling te houden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7853
Zaaknummer: C/09/675088
Datum beschikking: 4 december 2025

Zorgregeling en kinderalimentatie

Beschikking op het op 4 november 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Burger te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.L.J. Kapteijn te Alphen aan den Rijn.

Procedure

Deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 januari 2025:
  • bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder;
  • de moeder vervangende toestemming verleend om [minderjarige] aan te melden voor de cursus ‘Mijn baby en ik’, welke cursus door [instelling 1] is geadviseerd;
  • bepaald dat [minderjarige]
o de eerste zes weken, te rekenen vanaf 2 januari 2025: één keer per week gedurende één uur onder begeleiding bij de moeder thuis;
o de periode daarna: één keer per week gedurende twee uur onbegeleid bij de moeder thuis, zonder de directe aanwezigheid van de moeder;
o daarnaast kan de vader in onderling overleg met de moeder in ieder geval wekelijks beeldbellen met [minderjarige] .
Verder heeft de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een onderzoek te verrichten in de vorm van een netwerkberaad dan wel een regulier raadsonderzoek te verrichten en de rechtbank te adviseren.
De rechtbank heeft iedere verdere beslissing over de zorgregeling, de kinderalimentatie en de proceskosten aangehouden.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek van 26 februari 2025 van de vader;
  • de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 4 maart 2025;
  • de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 8 juli 2025, met als bijlage het rapport en advies met kenmerk [kenmerk] ;
  • de brief van 9 augustus 2025 van de moeder;
  • het bericht van 13 augustus 2025 van de vader;
  • het bericht van 27 oktober 2025, met bijlagen, van de moeder;
  • het bericht van 28 oktober 2025, met bijlagen, van de vader;
  • het bericht van 5 november 2025, met bijlage, van de moeder;
  • het bericht van 5 november 2025, met bijlage, van de vader.
Op 6 november 2025 is de behandeling ter zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader bijgestaan door zijn advocaat, de moeder bijgestaan door haar advocaat, [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK).
Van de zijde van de moeder zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd en deels voorgedragen.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Zorgregeling
De RvdK heeft in plaats van een netwerkberaad een regulier onderzoek uitgevoerd. In het raadsrapport adviseert de RvdK om een voorlopige zorgregeling vast te stellen waarbij de vader [minderjarige] wekelijks bij de moeder thuis ziet. De RvdK adviseert een stappenplan waarbij de vader en [minderjarige] elkaar steeds langer zien en waarbij de moeder zich steeds meer terugtrekt uit dit contact, zodat de vader en [minderjarige] op den duur alleen met elkaar kunnen zijn. De RvdK vindt [minderjarige] nog te jong om wekelijks door de vader meegenomen te worden naar de woning van de vader om daar contact te hebben met zijn familie of om meegenomen te worden naar familieactiviteiten. De vader staat aan het begin van invulling geven aan zijn vaderschap. De Rvdk verwacht wel dat de vader met hulpverlening zal groeien in zijn vaderschap en het opvoeden en verzorgen van [minderjarige] . Daarom adviseert de RvdK aan de vader om via het Centrum Jeugd en Gezin (CJG) opvoedondersteuning aan te vragen en/of [instelling 1] in te schakelen omdat die al betrokken is bij [minderjarige] . Verder is het belangrijk dat er meer duidelijkheid komt over (cognitieve-) vaardigheden van vader. Hiernaast adviseert de RvdK de ouders om onder begeleiding van hulpverlening zoals ouderschapsbemiddeling via [instelling 2] met elkaar in gesprek te gaan om hun gezamenlijk ouderschap vorm te geven. De RvdK wenst dat de beslissing over de zorgregeling verder wordt aangehouden voor de duur van tien maanden. [minderjarige] is dan inmiddels twee jaar, is gegroeid in haar ontwikkeling en band met de vader en het hulpverleningsproces is ingezet. Daarna zal de RvdK aanvullend onderzoek doen naar de mogelijkheden in de zorgregeling.
De rechtbank is van oordeel dat de door de RvdK geadviseerde hulpverlening en voorlopige zorgregeling in het belang van [minderjarige] (en de ouders) is. Het is belangrijk dat de vader [minderjarige] vaker gaat zien. De rechtbank begrijpt dat de vader [minderjarige] eigenlijk meer en bij hem thuis wil zien en haar ook graag mee wil nemen naar zijn familie. De rechtbank is het met de RvdK eens dat dit nu nog niet kan. Het is namelijk ook nodig dat de vader komende tijd hulp van het CJG of [instelling 1] krijgt die hem handvatten kan bieden bij de verzorging van [minderjarige] en het invullen van zijn vaderrol. De rechtbank gaat er vanuit dat de vader deze hulpverlening, met behulp van zijn familie en advocaat, zal inschakelen. Hiernaast gaat de rechtbank er vanuit dat de ouders via de al betrokken hulpverlening regelen dat zij een traject ouderschapsbemiddeling kunnen gaan volgen. De rechtbank vindt het belangrijk dat de RvdK hierna – conform het advies – nog een aanvullend onderzoek doet naar de vraag welke zorgregeling in het belang van [minderjarige] is. In tussenliggende periode zal de hulpverlening worden ingezet en kunnen de ouders het stappenplan voor de zorgregeling uitvoeren.
De rechtbank zal bepalen dat de door de RvdK geadviseerde zorgregeling voorlopig zal gelden. Dat stappenplan is opgenomen in het dictum van deze beschikking. Hierbij geeft de rechtbank de ouders mee dat het belangrijk is dat zij zich aan dit stappenplan houden. Als een moment niet door kan gaan of als de vader niet kan, moeten de ouders – zoals de RvdK adviseert – dat minimaal 24 uur van te voren via WhatsApp bericht aan elkaar laten weten.
De rechtbank zal iedere verdere beslissing over de zorgregeling aanhouden in afwachting van het aanvullend onderzoek van de RvdK. Na ontvangst van het aanvullend rapport en advies van de RvdK zal de rechtbank beoordelen hoe de behandeling van de zaak wordt voortgezet.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
De rechtbank vindt het redelijk om de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de datum van deze beschikking. De rechtbank ziet geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum vast te stellen, omdat de vader heeft bijgedragen in de kosten van [minderjarige] door vanaf februari 2025 aan de moeder een bijdrage te betalen van € 110,- per maand en voor die tijd ook kleding en andere spullen voor [minderjarige] heeft gekocht.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige] is tussen de ouders in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen. Voor het bepalen van de behoefte moet eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de ouders tijdens hun relatie worden bepaald. De rechtbank maakt deze berekening in 2024, omdat de relatie van de ouders in dat jaar is verbroken.
De rechtbank berekent het NBI van de moeder op basis van haar jaaropgave 2024. Hieruit blijkt een Wajong-uitkering van € 18.403,- bruto per jaar. Op basis van dit inkomen en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskorting, berekent de rechtbank het NBI van de moeder op € 1.247,- per maand.
De rechtbank gaat bij de berekening van het NBI van de vader uit van een inkomen van
€ 25.464,- bruto per jaar zoals blijkt uit de salarisstrook van januari 2024. Op basis van dit inkomen en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader op € 2.045,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de ouders bedroeg in 2024 dus € 3.292,- per maand (€ 1.247,-
+€ 2.045,-). Op basis van dit NBGI hadden zij recht op een kindgebonden budget van € 158,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 467,-. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte € 497,- per maand.
De moeder stelt dat het tabelbedrag moet worden verhoogd met de kosten voor de peuterspeelzaal van € 279,- per maand. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten in dit geval deels behoefteverhogend zijn, omdat de RvdK de ouders heeft geadviseerd dat het goed is voor de ontwikkeling van [minderjarige] als zij naar de peuterspeelzaal gaat. De rechtbank zal in redelijkheid rekening houden met € 100,- per maand.
De behoefte van [minderjarige] bedraagt met verhoging van de hiervoor genoemde kosten € 597,- per maand. De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding de behoefte tussen de ouders moet worden verdeeld.
Draagkracht moeder
De ouders zijn het erover eens dat de draagkracht van de moeder € 25,- per maand bedraagt.
Draagkracht vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen van afgerond € 2.429,- bruto per maand, zoals blijkt uit de salarisstrook van september 2025. De vader krijgt hiernaast vakantiegeld. De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van afgerond € 174,- per maand en de premies arbeidsongeschiktheid van afgerond € 6,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader op € 2.260,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Woonlasten
Tussen de ouders is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de vader moet worden uitgegaan van zijn werkelijke woonlasten in plaats van het woonbudget.
Met ingang van 1 januari 2023 wordt bij de vaststelling van de kinderalimentatie rekening gehouden met een woonbudget. Dat is 30% van het NBI. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te wijken van het woonbudget. Zoals hierna bij de draagkrachtvergelijking zal blijken, bestaat er een tekort aan gezamenlijke draagkracht om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank begrijpt uit de stukken dat de huurlast van de woning waar de vader (samen met zijn moeder) woont € 823,48 per maand bedraagt. De rechtbank vindt het redelijk om als uitgangspunt te nemen dat de vader en zijn moeder deze lasten samen dragen. De woonlast van de vader is dan € 412,- per maand. Dat is lager dan het woonbudget van € 678,- per maand. Het is niet te verwachten dat de woonlasten van de vader binnenkort wezenlijk zullen veranderen. Daarom rekent de rechtbank met deze werkelijke woonlast en zal hierop de formule aanpassen.
De formule die de rechtbank gebruikt is dan 70% x [NBI – (€ 412,- + € 1.310,-)]. De draagkracht van de vader is dan € 377,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van de ouders samen is € 402,- per maand (€ 25,- + € 377,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 195,- per maand.
Zorgkorting
Gelet op de huidige zorgregeling en de zorgregeling waar de ouders naartoe gaan werken, vindt de rechtbank een zorgkorting van 5% passend. De zorgkorting bedraagt dan afgerond € 25,- per maand (5% van € 497,-). De zorgkorting voor de vader vervalt echter, omdat er sprake is van een tekort en dit tekort (van € 195,- per maand), ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting (€ 25,- per maand). De ouders moeten daarom maximaal, naar hun draagkracht, bijdragen in de behoefte van [minderjarige] .
Het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige] is dus gelijk aan zijn draagkracht van
€ 377,- per maand.
Conclusie
De rechtbank zal beslissen dat de vader met ingang van vandaag een kinderalimentatie voor [minderjarige] aan de moeder moet betalen van € 377,- per maand. Wat meer of anders is verzocht over de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.
Aanhechten berekening
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Proceskosten
De rechtbank houdt de beslissing over de proceskosten aan, omdat er nog geen eindbeslissing wordt gegeven over de zorgregeling.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] , voorlopig bij de vader zal zijn:
- direct na afgifte van deze beschikking tot twee maanden daarna: de vader ziet [minderjarige] wekelijks gedurende drie uur bij de moeder thuis, waarbij de moeder aanwezig is in de ruimte bij [minderjarige] en de vader;
- vanaf twee maanden na afgifte van de beschikking tot vier maanden daarna: de vader ziet [minderjarige] wekelijks gedurende drie uur bij de moeder thuis, waarbij de moeder het laatste uur niet aanwezig is in de ruimte bij [minderjarige] en de vader (maar wel in huis aanwezig is);
- vanaf vier maanden na afgifte van de beschikking tot zes maanden daarna: de vader ziet [minderjarige] wekelijks gedurende drie uur bij de moeder thuis, waarbij de moeder de laatste twee uur niet aanwezig is in de ruimte bij [minderjarige] en de vader (maar wel in huis aanwezig is);
- vanaf zes maanden na afgifte van de beschikking tot acht maanden daarna: de vader ziet [minderjarige] wekelijks gedurende vier uur bij de moeder thuis, waarbij de moeder de laatste twee uur niet aanwezig is in de ruimte bij [minderjarige] en de vader (maar wel in huis aanwezig is). Tevens ziet de vader [minderjarige] wekelijks gedurende twee uur op een doordeweekse avond bij de moeder thuis in aanwezigheid van de moeder;
- vanaf acht maanden na afgifte van de beschikking tot en met de volgende zitting (inclusief het raadsonderzoek) of beslissing van de rechtbank: de vader ziet [minderjarige] wekelijks gedurende vier uur bij de moeder thuis, waarbij de moeder niet meer aanwezig is in de ruimte bij [minderjarige] en de vader (maar wel in huis aanwezig is). Tevens ziet de vader [minderjarige] wekelijks gedurende twee uur op een doordeweekse avond bij de moeder thuis in aanwezigheid van de moeder, waarbij de vader [minderjarige] naar bed brengt;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 377,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte over de kinderalimentatie;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een aanvullend onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
houdt de behandeling aan tot
1 oktober 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn aanvullend rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van de zorgregeling en de proceskostenaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, (kinder)rechter, bijgestaan door
mr. M. Verkerk als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 4 december 2025.