ECLI:NL:RBDHA:2025:25816

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
4 januari 2026
Zaaknummer
C/09/684197 / FA RK 25-3100
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om gezamenlijk gezag, omgangsregeling en kinderalimentatie in een familierechtelijke procedure

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 4 december 2025 uitspraak gedaan in een familierechtelijke procedure tussen de vader en de moeder van een minderjarig kind. De vader verzocht om gezamenlijk gezag over het kind, terwijl de moeder verweer voerde en zelfstandig verzocht om een omgangsregeling en kinderalimentatie. De rechtbank heeft vastgesteld dat de ouders een affectieve relatie hebben gehad en gezamenlijk de zorg voor hun kind hebben gedragen, maar dat de verhoudingen tussen hen ernstig zijn verstoord. De rechtbank heeft geoordeeld dat het in het belang van het kind noodzakelijk is dat de moeder het eenhoofdig gezag behoudt, en heeft het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag afgewezen. Tevens is er een omgangsregeling vastgesteld waarbij de vader om de week op woensdag omgang heeft met het kind onder begeleiding van de moeder. De rechtbank heeft de kinderalimentatie vastgesteld op € 253,- per maand, ingaande op 1 juli 2025, en heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De uitspraak is gedaan door kinderrechter M.F. Baaij, in aanwezigheid van griffier F.M. Wijvekate.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 25-3085 (bodemprocedure) en FA RK 25-3100 (art. 223 Rv)
Zaaknummers: C/09/684174 (bodemprocedure) en C/09/684197 (art. 223 Rv)
Datum beschikking: 4 december 2025
Gezag, vaststelling omgangs- c.q. zorgregeling, kinderalimentatie en voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv
Beschikkingop het in de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/684174 / FA RK 25-3085 op 22 april 2025 ingekomen verzoek en het in de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/684197 / FA RK 25-3100 op 22 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Ramsoedh te Delft.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.R. Bissessur te Den Haag.

Procedure

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/684174 / FA RK 25-3085 (bodemprocedure):
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek.
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/684197 / FA RK 25-3100 (art. 223 Rv):
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 27 juni 2025 van de zijde van de vader, met bijlagen;
  • het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
  • de brief van 12 september 2025 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
  • de brief van 30 september 2025 van de zijde van de vader, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 2 november 2025 van de zijde van de moeder, met bijlage.
Op 6 november 2025 zijn de zaken gevoegd op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam], namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

In beide procedures:

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats].
  • De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige].
  • [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder.
  • De relatie van de partijen is eind 2019 geëindigd.

Verzoek en verweer

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/684174 / FA RK 25-3085 (bodemprocedure):
De vader verzoekt – na aanvulling – :
  • vast te stellen dat de vader en de moeder het gezamenlijke gezag delen over [minderjarige];
  • de verdeling van de zorg- en de opvoedtaken vast te stellen, dan wel een omgangsregeling vast te stellen, zoals beschreven onder punt 7 van het verzoekschrift, dan wel een regeling vast te stellen, zoals de rechtbank die in het belang van [minderjarige] acht;
  • te bepalen dat de vader zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met een bijdrage van € 179,- per maand althans een bijdrage welke de rechtbank in goede justitie redelijk en billijk acht bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 1 juli 2025 althans met ingang van de datum welke de rechtbank in goede justitie redelijk en billijk acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de moeder zelfstandig verzocht – na wijziging – :
- te bepalen dat de vader met ingang van 1 juli 2025 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] dient te leveren van een bedrag van € 400,- per maand bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandige verzoek van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/684197 / FA RK 25-3100 (art. 223 Rv):
De vader verzoekt – na aanvulling – :
  • een voorlopige voorziening vast te stellen, inhoudende een verdeling van de zorg- en opvoedtaken/omgangsregeling;
  • te bepalen dat de vader zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met een bijdrage van € 179,- per maand althans een bijdrage welke de rechtbank in goede justitie redelijk en billijk acht bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 1 juli 2025 althans met ingang van de datum welke de rechtbank in goede justitie redelijk en billijk acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de moeder zelfstandig verzocht – na wijziging – :
- te bepalen dat de vader met ingang van 1 juli 2025 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] dient te leveren van een bedrag van € 400,- per maand bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandige verzoek van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

In beide procedures:
Tussen de ouders loopt zowel een bodemprocedure als een voorlopige voorzieningenprocedure over dezelfde onderwerpen. Daarbij zijn bepaalde stukken wel in de voorlopige voorzieningenprocedure ingediend, maar niet in de bodemprocedure. De rechtbank gaat er – zoals op de zitting besproken – van uit dat het de bedoeling van partijen is geweest dat de stukken die in de voorlopige voorzieningenprocedure zijn ingediend, ook in de bodemprocedure zijn ingediend.
Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv:
Op grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Omdat de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over dezelfde onderwerpen als in de voorlopige voorzieningenprocedure, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.
Bodemprocedure:
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Conform het tweede lid van voornoemd artikel wordt een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt slechts afgewezen, indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De vader heeft ter onderbouwing van zijn verzoek – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Gedurende de relatie van de ouders namen zij gezamenlijk beslissingen over [minderjarige]. De ouders ondervonden daarbij geen problemen, waardoor er destijds geen aanleiding was om het gezamenlijk gezag (formeel) vast te leggen. Inmiddels is de relatie beëindigd en zijn de verhoudingen tussen de ouders verslechterd. De vader acht het daarom van belang dat hij mede met het gezag over [minderjarige] wordt belast.
De moeder voert verweer. Zij stelt dat zij altijd degene is geweest die belangrijke beslissingen over [minderjarige] heeft genomen. Daarbij is de verstandhouding tussen de ouders inmiddels volledig verstoord. Er is geen sprake van constructieve communicatie tussen hen en de moeder voelt zich in de aanwezigheid van de vader onveilig. De vader heeft de afgelopen jaren weinig contact gehad met [minderjarige]. De moeder heeft zich daarvoor steeds ingezet, maar de vader liet het vaak afweten. Hierdoor bestaat er op dit moment bij haar geen draagvlak om het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit te oefenen.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat het gezag over kinderen gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend. Voor gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen.
De rechtbank overweegt als volgt. Sinds de geboorte van [minderjarige] heeft de moeder de zorg voor hem grotendeels alleen gedragen. Daarbij is zij degene geweest die belangrijke beslissingen in zijn leven heeft genomen. De vader heeft de afgelopen jaren slechts incidenteel contact gehad met [minderjarige] en is daardoor weinig tot niet betrokken geweest bij zijn leven en kent hij [minderjarige] onvoldoende om weloverwogen (gezags)beslissingen over hem te kunnen nemen.
Daarbij komt dat de verhoudingen tussen de ouders ernstig zijn verstoord en dat de vader de moeder op WhatsApp heeft geblokkeerd, waardoor (direct) contact tussen de ouders wordt gehinderd en het nemen van gezamenlijke beslissingen niet goed mogelijk is.
Op dit moment acht de rechtbank het dan ook in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat het eenhoofdig gezag van de moeder wordt gehandhaafd. Het verzoek van de vader zal daarom worden afgewezen.
Doordat de rechtbank het verzoek van de vader om hem met het gezamenlijke gezag te belasten afwijst, zal de rechtbank hierna spreken van een omgangsregeling.
Vaststelling omgangsregeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt.
Inhoudelijke beoordeling
De vader wil een omgangsregeling vaststellen en voert daartoe het volgende aan. Voorheen vond de omgang tussen de vader en [minderjarige] (incidenteel) plaats onder begeleiding van de moeder. De vader was daarbij afhankelijk van de stemming van de moeder, waardoor het wel eens voor kwam dat hij niet op bezoek mocht komen. In februari 2025 heeft de moeder de omgang tussen de vader en [minderjarige] (opnieuw) opgeschort. De vader wenst een omgangsregeling vast te leggen, waarbij [minderjarige] om de week van vrijdag 17:00 uur tot zondag 19:00 uur bij hem verblijft, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen.
De moeder verzet zich hiertegen. Zij stelt dat deze omgangsregeling te uitgebreid is en niet in het belang van [minderjarige]. De vader heeft [minderjarige] nooit zelf verzorgd en opgevoed. Daarnaast heeft hij [minderjarige] in de voorgaande jaren weinig gezien en is er nu ook al sinds februari 2025 geen contact geweest. [minderjarige] voelt zich niet op zijn gemak bij hem. Voor hem zijn rust, regelmaat en veiligheid belangrijk. Gelet hierop is de moeder van mening dat de omgang onder begeleiding moet worden opgebouwd.
Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat [minderjarige] recht heeft op onbelast contact met beide ouders. De ouders zijn hiervoor verantwoordelijk en moeten zich hier actief voor inzetten. Dit betekent dat de moeder het contact tussen [minderjarige] en de vader moet blijven stimuleren, terwijl de vader op zijn beurt moet laten zien dat hij het belangrijk vindt om contact met [minderjarige] te hebben en dat hij zijn afspraken daarover nakomt.
De ouders hebben onder begeleiding van de rechtbank op de zitting afspraken gemaakt over de omgangsregeling. De ouders zijn overeengekomen dat de vader om de week op woensdag uit school tot 14:00 uur omgang heeft met [minderjarige]. De omgang zal in ieder geval in eerste instantie in het bijzijn van de moeder plaatsvinden. Hierbij merkt de rechtbank op dat het aan de ouders is om in onderling overleg deze omgangsregeling in de toekomst verder vorm te geven c.q. uit te breiden.
De rechtbank zal conform de overeenstemming tussen partijen een omgangsregeling vaststellen.
Daarnaast heeft de moeder op de zitting toegezegd dat zij de vader maandelijks per e-mail of WhatsApp zal informeren over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige]. Hoewel deze afspraak niet in het dictum van deze beschikking zal worden opgenomen, omdat dit geen onderdeel van de procedure was, vindt de rechtbank het van belang dat de moeder zich hieraan houdt. Op deze manier blijft de vader op de hoogte van wat er speelt in het leven van [minderjarige] en kan hij hier beter bij aansluiten.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen 2025 als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Behoefte

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige] is tussen de ouders in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van beide ouders samen, eventueel inclusief kindgebonden budget.
De ouders zijn eind 2019 uit elkaar gegaan.
De moeder stelt dat de behoefte van [minderjarige] moet worden berekend op basis van het huidige inkomen van de vader, omdat zijn huidige inkomen aanzienlijk hoger is dan zijn inkomen in 2019.
De rechtbank overweegt dat onder 3.2.8. van het Rapport alimentatienormen de volgende aanbeveling staat opgenomen:
“Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders
Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel op basis van dat hogere inkomen van die ouder opnieuw.”
De rechtbank zal eerst het NBGI ten tijde van de samenleving bepalen en daarna het huidige NBI van de vader.
- NBI van de moeder (2019)
Voor de bepaling van het NBI van de moeder in 2019 gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.061,- bruto per jaar. De rechtbank baseert zich daarbij op de door de moeder overgelegde aanslag Inkomstenbelasting 2019.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van samenleving op € 255,- per maand.
- NBI van de vader (2019)
Voor de bepaling van het NBI van de vader in 2019 gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 8.865,- bruto per jaar. De rechtbank baseert zich daarbij op de door de vader overgelegde jaaropgave 2019.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van samenleving op € 687,- per maand.
- NBGI (2019)
Het NBGI van de ouders bedroeg in 2019 dus (255 + 687 =) € 942,- per maand. Op basis van dit NBGI hebben de ouders recht op een kindgebonden budget van € 97,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Het NBGI van de ouders in 2019 bedraagt dus (255 + 687 + 97 =) € 1.039,- per maand.
- NBI van de vader (2025)
Voor de bepaling van het huidige NBI van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.197,- bruto per maand exclusief vakantiegeld. De rechtbank baseert zich hierbij op de door de vader overgelegde salarisstroken van 2025.
De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 197,- per maand en de premie WIA van € 8,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het huidige NBI van de vader in 2025 op € 2.743,- per maand.
- Tussenconclusie
Uit bovenstaande berekeningen volgt dat het NBI van de vader op dit moment aanzienlijk hoger is dan het NBGI op het moment dat de ouders uit elkaar gingen. Daarom zal de rechtbank – conform het Rapport alimentatienormen – de behoefte van [minderjarige] op basis van het huidige inkomen van de vader vaststellen. De daarbij behorende behoefte van [minderjarige] bedraagt dan € 365,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.

Draagkracht

- Draagkracht van de moeder
Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 1.467,- bruto per maand exclusief vakantiegeld. De rechtbank baseert zich hierbij op de door de moeder overgelegde salarisstroken van 2025.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 56,- per maand en de premie WIA van € 6,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2025 op € 1.941,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Bij een NBI van € 1.875,- tot € 2.125,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 1.925,- en € 1.975,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2025) een draagkracht van € 79,- per maand voor de moeder in aanmerking nemen.
- Draagkracht van de vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.197,- bruto per maand exclusief vakantiegeld. De rechtbank baseert zich hierbij op de door de vader overgelegde salarisstroken van 2025.
De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 197,- bruto per maand en de premie WIA van € 8,- bruto per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2025 op € 2.743,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.125, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-) gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [2.743 – (823 + 1.310)] = € 427,- per maand.
- Gezamenlijke draagkracht en draagkrachtvergelijking
De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk € 506,- per maand (€ 79,- + € 427,-).
Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 79 / 506 x 365 = € 57,-
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 427 / 506 x 365 =
€ 308,-
samen € 365,-
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 308,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 57,- per maand komt voor rekening van de moeder.

Zorgkorting

De ouders zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 15%. De zorgkorting bedraagt dan € 55,- per maand (15% van € 365,-).
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de vader te betalen bijdrage bedraagt dan € 253,- per maand (€ 308,- minus € 55,-).

Ingangsdatum

De ouders zijn het erover eens dat de ingangsdatum 1 juli 2025 betreft, te weten de datum waarop de moeder het verzoek tot kinderalimentatie heeft ingediend. De rechtbank zal deze datum als ingangsdatum bepalen.

Conclusie

Uitgaande van het bovenstaande zal de rechtbank de door de vader met ingang van 1 juli 2025 aan de moeder ten behoeve van [minderjarige] te bepalen kinderalimentatie bepalen op € 253,- per maand. Het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/684197 / FA RK 25-3100 (art. 223 Rv):
*
wijst de verzoeken af;
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/684174 / FA RK 25-3085 (bodemprocedure):
*
wijst af het verzoek van de vader om hem met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te belasten;
*
stelt een omgangsregeling vast, waarbij de vader om de week op woensdag uit school tot 14:00 uur omgang heeft met [minderjarige] onder begeleiding van de moeder;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 1 juli 2025, een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats], van € 253,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 4 december 2025.