In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 4 december 2025 uitspraak gedaan in een echtscheidingsprocedure tussen een man en een vrouw, die beiden de Bulgaarse nationaliteit hebben. De rechtbank heeft kennisgenomen van de verzoeken van de man en de vrouw met betrekking tot de echtscheiding en de nevenvoorzieningen, waaronder de hoofdverblijfplaats van hun minderjarige kinderen en de zorgregeling. De man verzocht om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem vast te stellen, terwijl de vrouw verweer voerde en zelfstandig verzocht om de hoofdverblijfplaats bij haar. De rechtbank heeft vastgesteld dat het huwelijk tussen partijen rechtsgeldig is en dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding, aangezien de gewone verblijfplaats van partijen in Nederland was ten tijde van de indiening van het verzoekschrift.
De rechtbank heeft ook beoordeeld of partijen gezamenlijk gezag hebben over hun kinderen, wat het geval is. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het in het belang van de kinderen is om de hoofdverblijfplaats bij de man vast te stellen, gezien zijn rol als stabiele factor in de afgelopen anderhalf jaar. De rechtbank heeft daarnaast een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen de helft van de tijd bij de man en de helft van de tijd bij de vrouw verblijven, met de verplichting voor partijen om dit in onderling overleg nader in te vullen. De proceskosten zijn gecompenseerd, en de rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.