ECLI:NL:RBDHA:2025:25750
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak met betrekking tot verblijfsvergunning
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van de verzoeker, die bezwaar heeft gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. De voorzieningenrechter heeft op 4 december 2025 de zaak behandeld, maar beide partijen zijn niet verschenen. De verweerder, de minister van Asiel en Migratie, heeft in een brief van 18 november 2025 aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit betekent dat er geen geschil is over de noodzaak om de verzoeker voorlopig niet uit te zetten.
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat, gezien de omstandigheden, het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk gegrond is. Hij heeft verweerder verboden om verzoeker uit te zetten totdat er een beslissing is genomen op het bezwaarschrift. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die zijn vastgesteld op € 907,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier, en is openbaar uitgesproken op 5 december 2025. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.