In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring die op 13 december 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd aan eiser. Eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. J.G. Wattilete, heeft beroep ingesteld tegen deze maatregel, die hij als onrechtmatig beschouwde. De minister heeft de maatregel op 22 december 2025 opgeheven, maar het beroep bleef bestaan, ook als verzoek om schadevergoeding. Tijdens de zitting op 29 december 2025 is eiser niet verschenen, terwijl de minister zich liet vertegenwoordigen door mr. L. Augustinus.
De rechtbank heeft beoordeeld of de maatregel van bewaring onrechtmatig was, en of eiser recht had op schadevergoeding. De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet onrechtmatig was, omdat eiser onder de in artikel 59a van de Vreemdelingenwet genoemde categorie viel. De rechtbank oordeelde dat er voldoende gronden waren voor de maatregel van bewaring, waaronder het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister voldoende gemotiveerd had waarom een lichter middel niet toepasbaar was en dat er geen persoonlijke of medische omstandigheden waren die de bewaring onevenredig bezwarend maakten voor eiser.
Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na bekendmaking.