In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring die op 16 december 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd aan de eiser. De maatregel was gebaseerd op artikel 59a van de Vreemdelingenwet, waarbij de minister stelde dat de openbare orde de maatregel vorderde vanwege het risico dat de eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De rechtbank heeft op 29 december 2025 de zaak behandeld, waarbij zowel de eiser als zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals een tolk. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de gronden voor de maatregel van bewaring, zowel zware als lichte gronden, feitelijk juist zijn. De rechtbank oordeelde dat de eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen en zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken. Ook heeft de eiser onjuiste gegevens verstrekt over zijn identiteit en heeft hij zich ontdaan van zijn reisdocumenten. De rechtbank concludeerde dat er voldoende grond is voor de maatregel van bewaring en dat de minister terecht geen lichter middel heeft opgelegd.
De rechtbank heeft het beroep van de eiser ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.