ECLI:NL:RBDHA:2025:25570

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
NL25.50238
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag en de toepassing van het Besluit- en Vertrekmoratorium voor vreemdelingen uit Syrië

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, wordt het beroep van eiser behandeld dat is ingediend omdat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig heeft beslist op de asielaanvraag van 21 januari 2024. De rechtbank heeft besloten dat een zitting niet nodig is, omdat partijen geen verzoek hebben ingediend om een zitting te houden. Hierdoor heeft de rechtbank het beroep zonder zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

De rechtbank overweegt dat de minister in principe binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag moet beslissen. Echter, met het besluit van 11 december 2024 is er een Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Syrië, dat op 14 december 2024 in werking is getreden en geldig was tot en met 13 juni 2025. De rechtbank legt uit dat de grondslag voor het BVM is te vinden in artikel 43, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw), waarin de mogelijkheid wordt gegeven om de beslistermijn te verlengen tot maximaal 21 maanden in geval van onzekere situaties in het land van herkomst.

De rechtbank concludeert dat de term 'verlengen' in het BVM moet worden opgevat als 'opschorten'. Dit betekent dat de beslistermijn gedurende de geldigheid van het BVM is opgeschort. In het geval van eiser is de asielaanvraag op 21 januari 2024 ingediend en werd deze op 12 september 2024 in de nationale procedure opgenomen, voordat het BVM van kracht werd. De opschorting van de beslistermijn door het BVM, gecombineerd met de reguliere beslistermijn, betekent dat de beslistermijn eindigde op 12 september 2025. Eiser heeft de minister op 9 september 2025 in gebreke gesteld, maar de rechtbank oordeelt dat deze ingebrekestelling prematuur was, omdat de beslistermijn nog niet was verstreken.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep van eiser niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, en openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50238

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 21 januari 2024.
1.1
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft
gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
2. De minister moet in principe binnen zes maanden na het ontvangen van de aanvraag beslissen. [2] Met het besluit van 11 december 2024 heeft de minister een Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Syrië [3] , in werking getreden op 14 december 2024. Het BVM gold tot en met 13 juni 2025.
3. De grondslag voor het BVM ligt in artikel 43, eerste lid, van de Vw, waarin artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn is geïmplementeerd. In artikel 43, eerste lid, van de Vw staat dat de minister de beslistermijn kan
verlengentot ten hoogste 21 maanden, indien naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de situatie in het land van herkomst. In artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn staat dat de lidstaten de onderzoeksprocedure kunnen
uitstellenin individuele gevallen bij een onzekere situatie in het land van herkomst.
4. De rechtbank ziet aanleiding om de term verlengen in het BVM op te vatten als opschorten. Daarbij neemt de rechtbank het bepaalde in artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn in aanmerking en het feit dat de Procedurerichtlijn van recentere datum is dan de totstandkoming van de Vreemdelingenwet en het bepaalde in artikel 43. Verder is van belang dat de Engelse versie van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn het heeft over postpone. Daarnaast spreekt de Engelse versie van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn over
postpone.De rechtbank vindt ook steun in het doel en de strekking van een BVM. Een BVM ziet op de situatie waarin niet beslist kan worden op aanvragen, omdat de situatie in het land van herkomst zodanig complex is dat geen weloverwogen besluit kan worden genomen. Op het moment dat de situatie niet langer complex is en het BVM niet langer van kracht is, gaat de beslistermijn weer lopen en kan de minister weer besluiten nemen. Dat de wet en het BVM zelf over verlengen spreken in plaats van over opschorten doet hieraan niet af. [4]
5. Het voorgaande maakt dat de rechtbank uitgaat van een opschorting van de beslistermijn gedurende de geldigheid van het BVM. Deze opschorting geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken op het moment dat het BVM van kracht werd. [5] In de zaak van eiser is de aanvraag ingediend op 21 januari 2024. Op 12 september 2024 werd de asielaanvraag opgenomen in de nationale procedure, voordat het BVM van kracht werd. De opschorting van de beslistermijn door het BVM, die zes maanden duurde, gecombineerd met de reguliere beslistermijn van zes maanden, betekent in dit geval dat de beslistermijn eindigde op 12 september 2025. Eiser heeft de minister op 9 september 2025 in gebreke gesteld. De beslistermijn was toen nog niet verstreken. Dit betekent dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend. Het beroep voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen. [6]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Besluit van 11 december 2024 tot het instellen van een besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië (
6.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.