ECLI:NL:RBDHA:2025:25528
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Buitenbehandelingstelling van asielaanvraag van minderjarige Algerijnse vreemdeling
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 2 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de asielaanvraag van een minderjarige Algerijnse vreemdeling. De minister van Asiel en Migratie heeft op 20 augustus 2025 de aanvraag van de eiser buiten behandeling gesteld, omdat hij twee keer niet is verschenen bij het asielgehoor. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Tijdens de zitting op 6 november 2025 is eiser niet verschenen, maar zijn voormalig gemachtigde was aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om verweerder de gelegenheid te geven schriftelijk te reageren op een standpunt dat ter zitting door de voormalig gemachtigde is aangevoerd. Na de schriftelijke reacties van beide partijen heeft de rechtbank op 20 november 2025 besloten het onderzoek te sluiten zonder een nadere zitting.
De rechtbank overweegt dat eiser, geboren in 2010, op 19 juli 2025 asiel heeft aangevraagd. De minister heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser niet is verschenen bij het asielgehoor en niet heeft aangetoond dat dit niet aan hem toe te rekenen is. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet op de hoogte was van de tweede gehoorafspraak en dat hij als minderjarige niet volledig bewust was van de noodzaak om te verschijnen. De rechtbank oordeelt echter dat eiser voldoende op de hoogte was van beide afspraken en dat zijn niet verschijnen toerekenbaar is. De rechtbank concludeert dat de minister in redelijkheid de asielaanvraag buiten behandeling heeft kunnen stellen.
Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het terugkeerbesluit dat aan eiser is opgelegd, gerechtvaardigd is, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij behoefte heeft aan onderzoek naar adequate opvang in zijn land van herkomst. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.