ECLI:NL:RBDHA:2025:25464

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
NL25.38026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om proceskostenvergoeding na intrekking van asielaanvraag

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 17 december 2025 uitspraak gedaan over het verzoek van een verzoeker om vergoeding van proceskosten. De verzoeker had een beroep ingediend omdat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig had beslist op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. De verzoeker heeft op 21 augustus 2025 vrijwillig zijn vertrek naar Turkije bevestigd, waarna hij op 27 oktober 2025 zijn beroep heeft ingetrokken en verzocht om proceskostenvergoeding. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden op de aanvraag heeft beslist, waardoor de verzoeker terecht in gebreke heeft gesteld. De rechtbank oordeelde dat de verzoeker recht heeft op vergoeding van zijn proceskosten, ondanks zijn vrijwillige vertrek. De rechtbank heeft de minister veroordeeld tot betaling van € 453,50 aan proceskosten, rekening houdend met de aard van de zaak en de ingeschakelde juridische hulp.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.38026
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. W.J. Rohlof) en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verzoeker heeft een beroep ingediend, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning (hierna: de aanvraag).
In de brief van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) van 22 augustus 2025 staat dat verzoeker op 21 augustus 2025 vrijwillig is vertrokken naar Turkije. Uit de bijgevoegde vertrekverklaring van eveneens 21 augustus 2025 blijkt dat verzoeker ermee heeft ingestemd dat nog openstaande procedures (waaronder niet begrepen: procedures tegen een terugkeerbesluit) voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker op 27 oktober 2025 zijn beroep ingetrokken. Hij heeft daarbij het verzoek gedaan om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Op 18 november 2025 heeft de minister op het verzoek om een proceskostenveroordeling gereageerd.

Overwegingen

De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
Als een indiener het beroep intrekt, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan diens beroepschrift, dan kan de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten van de indiener.2
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb, in samenhang met het Besluit Proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. De minister heeft de aanvraag op 1 oktober 2024 ontvangen. De minister moest uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.3 De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de door de wet gestelde termijn heeft besloten op de aanvraag van eiser. Verzoeker heeft de minister op 15 juli 2025 daardoor terecht in gebreke gesteld. Verzoeker heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag.
4. Omdat verzoeker terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag, krijgt hij een vergoeding van zijn proceskosten. Het vrijwillige en zelfstandige vertrek van verzoeker, zoals de minister benoemt in zijn briefverweer van 18 november 2025, doet daar niet aan af. De minister moet de vergoeding van zijn proceskosten betalen. Volgens het Besluit Proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag, omdat verzoeker een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Simorangkir, griffier.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.