In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 21 oktober 2025 uitspraak gedaan in een asielprocedure van een Egyptische eiser die op 4 augustus 2022 een asielaanvraag indiende. De eiser, die politiek actief was voor de Freedom and Justice Party in Egypte, stelde dat hij vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten in gevaar was voor vervolging door de Egyptische autoriteiten. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag op 17 mei 2024 afgewezen, met de stelling dat de eiser niet als vluchteling kon worden aangemerkt en dat hij geen reëel risico liep bij terugkeer naar Egypte. De rechtbank heeft het beroep van de eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag behandeld, waarbij de eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was. De rechtbank oordeelde dat de minister de wettelijke beslistermijn had overschreden, maar dat de eiser geen belang meer had bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen, omdat er inmiddels een besluit was genomen. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat de afwijzing van de asielaanvraag niet voldoende was gemotiveerd, vooral met betrekking tot de politieke overtuiging van de eiser. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen om een nieuw besluit te nemen, waarbij de gevolgen van de politieke overtuiging van de eiser bij terugkeer naar Egypte in acht moeten worden genomen. De rechtbank heeft verweerder ook veroordeeld in de proceskosten van de eiser tot een bedrag van € 2.267,50.