ECLI:NL:RBDHA:2025:25434

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
NL25.61260
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een Algerijnse vreemdeling in het kader van de Dublinverordening met verzoek om schadevergoeding

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de bewaring van een Algerijnse vreemdeling. De minister van Asiel en Migratie had op 12 december 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op basis van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000, met als argument dat er een concreet aanknopingspunt was voor een overdracht onder de Dublinverordening en dat er een significant risico bestond dat de vreemdeling zich aan het toezicht zou onttrekken. De vreemdeling, bijgestaan door zijn gemachtigde, heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, waarbij hij tevens schadevergoeding heeft verzocht.

Tijdens de zitting op 22 december 2025 heeft de rechtbank de zaak behandeld. De vreemdeling heeft zijn Algerijnse nationaliteit en zijn geboortejaar 1984 bevestigd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister voldoende gronden heeft aangevoerd voor de bewaring, waaronder het feit dat de vreemdeling zich niet aan de voor hem geldende verplichtingen heeft gehouden en dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. De rechtbank heeft ook overwogen dat de vreemdeling geen medische documenten heeft overgelegd die zijn stelling dat de inbewaringstelling voor hem onevenredig bezwarend is, onderbouwen.

De rechtbank heeft de beroepsgrond van de vreemdeling dat hij niet kan terugkeren naar Algerije of Frankrijk verworpen, omdat hij als Dublinclaimant moet worden overgedragen aan de Franse autoriteiten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld in de uitzetting van de vreemdeling en dat er geen sprake is van onrechtmatigheid in de bewaring. Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt op 24 december 2025.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61260
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I.K. BenSmail. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de lichte grond onder 4e heeft betwist. Ter zitting heeft de minister deze lichte grond laten vallen.
4. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser niet betwiste zware gronden onder 3a en 3k en de niet betwiste lichte gronden onder 4a, 4c en 4d feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden zijn al voldoende om aan te nemen dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Onevenredig bezwarend
5. Eiser stelt dat hij veel last van zijn linker been heeft en medicijnen slikt, hierdoor is inbewaringstelling voor hem onevenredig bezwarend.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen overwegen dat de maatregel van bewaring niet onevenredig bezwarend is. Eiser heeft ter zake geen medische documenten overgelegd. Daarbij komt dat de medische gezondheidszorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is met die in de vrije maatschappij. Mocht dit toch onvoldoende zijn kan eiser overgeplaatst worden naar onder meer een regulier ziekenhuis of een penitentiair psychiatrisch centrum. De beroepsgrond slaagt niet.

Refoulement

7. Eiser stelt dat hij niet terug kan keren naar Algerije en niet overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiser heeft in Algerije een video gemaakt waarin hij de Algerijnse regering belachelijk maakt. Deze video is verspreid, waardoor eiser daar problemen mee heeft gekregen in Algerije. Ook wil eiser niet terugkeren naar Frankrijk in het kader van de Dublinverordening. Hij stelt dat hij in Frankrijk vermoord zal worden door de drugsmaffia.
8. Voor zover eiser met zijn stelling dat hij niet terug kan keren naar Algerije een beroep doet op het beginsel van non-refoulement overweegt de rechtbank als volgt. De stelling van eiser dat hij problemen heeft in Algerije treft in deze procedure geen doel. Eiser is namelijk Dublinclaimant en zal overgedragen worden aan de Franse autoriteiten. Dat eiser problemen heeft in Algerije, moet hij in het kader van een eventuele asielaanvraag in Frankrijk aan de orde stellen. De enkele verklaring van eiser dat hij niet wil terugkeren naar Frankrijk, omdat hij dan zal worden vermoord door de drugsmaffia, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft dit op geen enkele wijze (met documenten) onderbouwd. Mocht eiser problemen ervaren in Frankrijk kan hij daarover bij de Franse autoriteiten klagen. Niet is gebleken dat klagen in Frankrijk voor eiser onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
9. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Op 14 oktober 2025 is het claimakkoord van de Franse autoriteiten ontvangen. Pas op 6 januari 2026 staat een vlucht gepland naar Frankrijk. Hierdoor zit er bijna een maand tussen eisers inbewaringstelling en zijn vluchtdatum, dat is volgens eiser niet voortvarend.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op 16 december 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Dat is al een handeling in het kader van de voortvarendheid. Op 17 december 2025 zijn de vluchtgegevens ontvangen, waarin staat dat de vlucht van eiser op 6 januari 2025 zal plaatsvinden. Dat de overdracht van eiser op 6 januari 2026 gepland staat, maakt niet dat er sprake is van onvoldoende voortvarend handelen. De minister is immers afhankelijk van de luchtvaartmaatschappij voor de datum van de overdracht. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

11. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.