ECLI:NL:RBDHA:2025:25432

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
NL25.61262
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring van een Poolse vreemdeling

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de maatregel van bewaring van een Poolse vreemdeling. De minister van Asiel en Migratie had op 11 december 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. Tijdens de zitting op 22 december 2025 is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft de argumenten van eiser beoordeeld, waaronder de stelling dat hij een verward en kwetsbaar persoon is en dat detentie onevenredig bezwarend voor hem zou zijn. De rechtbank oordeelde echter dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Eiser heeft niet aangetoond dat inbewaringstelling voor hem onevenredig bezwarend zou zijn. De rechtbank concludeert dat de minister voortvarend heeft gehandeld in de uitzettingsprocedure, ondanks dat de vluchtgegevens nog niet bekend waren. De rechtbank heeft ambtshalve getoetst of de maatregel van bewaring onrechtmatig was en kwam tot de conclusie dat dit niet het geval was.

Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier, en is openbaar gemaakt op 24 december 2025.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.61262
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I.M. de Groot-Sikora. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht
Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware grond onder 3a en de lichte grond onder 4e heeft betwist. Ter zitting heeft de minister de lichte grond onder 4e laten vallen. De rechtbank is van oordeel dat de overige, niet betwiste zware en lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze zware en lichte gronden zijn al voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring daarom al dragen. Om die reden behoeft hetgeen eiser ten aanzien van de zware grond onder 3a heeft aangevoerd geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

4. Eiser stelt dat had moeten worden volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Hij is een verward en kwetsbaar persoon. Detentie is daarom voor eiser onevenredig bezwarend.
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom niet is volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Eiser heeft niet met medische documenten onderbouwd waarom inbewaringstelling voor hem onevenredig bezwarend zou zijn. Daarbij komt dat de medische zorg die aanwezig is in het detentiecentrum gelijkwaardig is met die in de vrije maatschappij. Mocht deze zorg toch niet voldoende zijn voor eiser, kan hij worden overgeplaatst naar onder meer een regulier ziekenhuis of penitentiair psychiatrisch centrum. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarend handelen

6. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn uitzetting. Pas op 19 december 2025 is er een terug- en overname akkoord ontvangen van Polen, maar er zijn nog geen vluchtgegevens bekend. Dit had al wel bekend moeten zijn.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op 16 december 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd, daarna is op 18 december 2025 een terug- en overnameverzoek naar Polen verstuurd en is op 19 december 2025 akkoord van de Poolse autoriteiten ontvangen. Deze handelingen zijn allemaal handelingen in het kader van de voortvarendheid. Dat de vluchtgegevens momenteel nog niet bekend zijn, betekent niet dat de minister hierdoor onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op zitting is besproken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.