Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister is afgewezen als kennelijk ongegrond. Tegen dit besluit is beroep ingesteld bij de rechtbank. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening gelijktijdig met het beroep.
Op de zitting van 6 oktober 2025 is het beroep inhoudelijk behandeld en op 26 november 2025 is daarop uitspraak gedaan. Omdat de hoofdzaak inmiddels is beslist, acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wijst het verzoek af.
Daarnaast bepaalt de voorzieningenrechter dat verzoekster recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de rechtsbijstand, welke wordt vastgesteld op €907,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De minister wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan verzoekster. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.