Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
2.Het incident tot tussenkomst, subsidiair voeging.
3.De feiten
Inschrijvingsbegroting
“NVIr369* kosten bankgarantie 2,5% v/d aanneemsom gedurende bouwtijd.”
2
.Met inachtneming van hetgeen in het zevende lid is bepaald, is de opdrachtgever gerechtigd om van de aannemer te bedingen dat deze zekerheid stelt voor de nakoming van zijn verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst; indien door de aannemer zekerheid dient te worden gesteld, geldt het bepaalde in het derde tot en met het zesde lid van deze paragraaf.
4.Het geschil
De inschrijving van Constructif is ten onrechte als ongeldig terzijde gesteld. Constructif heeft de bankgarantie wel juist begroot (op 5%) maar in de tekstuele toelichting in de Inschrijvingsbegroting is per ongeluk genoteerd dat de bankgarantie ziet op ‘2,5% van de aanneemsom gedurende bouwtijd’. Dat Constructif akkoord was met een percentage van 5% blijkt al uit de door haar gestelde vraag met referentienummer 369 in de NvI waarnaar zij expliciet verwijst in de Inschrijvingsbegroting. De Staat had gebruik kunnen en moeten maken van haar bevoegdheid op grond van artikel 2.55 Aw en Constructif om opheldering moeten vragen. Bovendien heeft Constructif in het Inschrijvingsbiljet verklaard dat zij een aanbieding doet ‘overeenkomstig de bepalingen van het Aanbestedingsreglement Werken 2016 en met inachtneming van de bepalingen en de gegevens zoals deze zijn omschreven in de aanbestedingsstukken’. Nu overduidelijk sprake is van een voor herstel vatbare vergissing had de Staat Constructief de ruimte moeten bieden om haar Inschrijvingsbegroting toe te lichten en herstel toe te staan.
5.De beoordeling
(SAG), rechtsoverweging 40). Daarnaast moet de verbetering of aanvulling betrekking hebben op gegevens waarvan objectief kan worden vastgesteld dat zij dateren van voor de datum van de inschrijving. Het maken van een dergelijke uitzondering is echter uitgesloten ingeval van ontbrekende informatie die op straffe van uitsluiting moet worden verstrekt (HvJ EU 10 oktober 2013, zaak C-336/12, ECLI:EU:C:2013:647
(Manova), rechtsoverweging 39 en 40 en meer recent HvJ EU 28 februari 2018, zaken C-523 en 536/16, ECLI:EU:C:2018:122, rechtsoverweging 49 en 51).
,dat inhoudt dat de reactie van de aanbestedende dienst op een verzuim van een inschrijver in verhouding tot dat verzuim moet staan, is in de wet en de jurisprudentie over herstelmogelijkheden al verdisconteerd (zie rechtsoverweging 5.19): op grond van het proportionaliteitsbeginsel moet de aanbestedende dienst als wordt voldaan aan de eerdergenoemde criteria voor herstel de inschrijver gelegenheid bieden tot herstel van het verzuim. Dit betekent dat als het gebrek zich niet voor herstel leent, zoals in dit geval, de terzijdelegging van de inschrijving niet in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel. Er is geen plaats voor een tweede toetsing aan het proportio-naliteitsbeginsel.
6.De beslissing
€ 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Constructif niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Constructif
€ 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;