ECLI:NL:RBDHA:2025:25307

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
27 december 2025
Zaaknummer
C/09/684595 / FA RK 25-3303
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gezamenlijk gezag en zorgregeling voor minderjarige na voorlopige zorgregeling

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 26 november 2025 een beschikking gegeven inzake het gezag en de zorgregeling voor de minderjarige, geboren in 2020. De vader had op 29 april 2025 een verzoek ingediend om gezamenlijk gezag met de moeder te verkrijgen. De rechtbank had eerder op 27 juni 2025 een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarover de ouders overeenstemming hadden bereikt. De rechtbank heeft de situatie van de afgelopen maanden beoordeeld, waarin de ouders de voorlopige omgangsregeling hebben uitgevoerd. De vader had vier uur per week omgang met de minderjarige, en er waren ook videobelmomenten. De moeder had hulpverleners ingeschakeld voor de minderjarige, maar er was geen directe communicatie tussen de ouders. De rechtbank heeft vastgesteld dat het in het belang van de minderjarige is dat de vader ook betrokken wordt bij het gezag. De rechtbank heeft de ouders de gelegenheid gegeven om deel te nemen aan een traject om hun onderlinge communicatie te verbeteren. De rechtbank heeft het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag toegekend en een zorgregeling vastgesteld, waarbij de minderjarige bij de vader zal verblijven in de zomervakantie en kerstvakantie. De rechtbank heeft ook een opbouwregeling vastgesteld voor de zorgregeling, die zal gelden tot en met 14 december 2025.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3303
Zaaknummer: C/09/684595
Datum beschikking: 26 november 2025
Gezag, omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en informatieregeling

Beschikking op het op 29 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.P. van der Schraaf in Hilversum.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Gravesteijn in Den Haag.

Procedure

Bij beschikking van 27 juni 2025 van deze rechtbank is een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarover de ouders op de zitting overeenstemming hebben bereikt. In afwachting van het verloop van deze voorlopige zorgregeling heeft de rechtbank iedere verdere beslissing over het gezag, een definitieve omgangs- c.q. zorgregeling en een informatieregeling aangehouden.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • het F9-formulier van 18 augustus 2025 van de zijde van de vader;
  • de brief van 15 september 2025 van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 22 september 2025, met bijlage en aanvullend verzoek, van de zijde van de vader;
  • het F9-formulier van 24 oktober 2025, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 29 oktober 2025, met bijlagen, van de zijde van de moeder.
Op 29 oktober 2025 is de behandeling van de zaak op de zitting van deze rechtbank voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Beoordeling

Huidige situatie
De afgelopen maanden hebben de ouders de voorlopige omgangsregeling uitgevoerd volgens de gemaakte afspraken. De vader had vier uur per week omgang met [de minderjarige] in (de omgeving van) Den Haag onder begeleiding van oppas [de oppas] en dit verliep goed. Tijdens de omgangsmomenten is er geen contact tussen de ouders geweest en werd [de minderjarige] pas door de moeder opgehaald als de vader weg was. Daarnaast zijn er wekelijks ook steeds twee videobelmomenten geweest. De moeder geeft aan dat zij inmiddels een kinderpsycholoog en Youz heeft ingeschakeld in verband met de problematiek van [de minderjarige] , waaronder de vermoede verlatingsangst en haar grensoverschrijdende gedrag richting mannen. Deze hulpverleners hebben nog geen inhoudelijk contact met de vader over de behandeling van [de minderjarige] gehad. Ook heeft er een viergesprek plaatsgevonden tussen de ouders in het bijzijn van hun advocaten, waarbij de ouders hun zorgen over [de minderjarige] en hun wederzijdse standpunten met elkaar hebben besproken. Met uitzondering van de mail die de moeder maandelijks aan de vader stuurt om hem te informeren over [de minderjarige] , is er verder geen direct contact tussen de ouders (geweest) en verloopt de communicatie over [de minderjarige] via oppas [de oppas] .
Ter beoordeling aan de rechtbank liggen voor de verzoeken tot het gezamenlijk gezag, definitieve zorgregeling en informatieregeling.
Gezag
Wettelijk kader
Uit artikel 1:253c lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten. Als algemeen uitgangspunt geldt dat gezamenlijk gezag in het belang van de minderjarige moet worden geacht. Dit verzoek wordt, indien de andere ouder hiermee niet instemt, slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting is met de ouders gesproken over het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder te belasten met het gezag. In dit verband is ook de onderlinge communicatie tussen de ouders besproken. Het is de rechtbank gebleken dat er op dit moment geen sprake is van rechtstreekse communicatie tussen hen. Zij begrijpen dat het in het belang van [de minderjarige] is dat dit er wel komt. Beide ouders staan open staan voor hulpverlening of begeleiding om het contact tussen hen te verbeteren. Naar aanleiding van een suggestie daartoe van de Raad hebben beide ouders hun bereidheid uitgesproken om door middel van het inzetten van het traject de Gezinsvertegenwoordiger te werken aan hun onderlinge communicatie en een gezamenlijke visie op het gedeelde ouderschap.
De rechtbank zal de ouders daarom in de gelegenheid stellen om deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De ouders zullen deelnemen aan het traject van de gezinsvertegenwoordiger. De rechtbank heeft er alle vertrouwen in dat deze ouders zullen komen tot een werkbare vorm van overleg over [de minderjarige] . De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de rest van de verzoeken aan te houden in afwachting van de uitkomst van dit hulpverleningstraject. Er is daarom geen aanleiding om een zogenoemde Lus naar de Raad voor de Kinderbescherming op te nemen. De uitvoerende hulpverleningsinstantie hoeft dan ook geen verslag of eindrapportage uit te brengen aan de rechtbank.
De omstandigheid dat de ouders op dit moment nog geen direct contact met elkaar hebben over [de minderjarige] is niet zonder meer een contra-indicatie voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag. De rechtbank vindt het juist van belang dat de vader in gezagsbeslissingen wordt betrokken. Gebleken is namelijk dat de hulpverlenende instanties zoals de kinderpsycholoog en Youz niet uit zichzelf de vader informeren of betrekken, ondanks dat de moeder hiervoor toestemming zou hebben gegeven. Volgens de moeder heeft in ieder geval Youz aangegeven dit te zullen doen op het moment dat de professionals dat geraden achten. De rechtbank is – net als de Raad – van oordeel dat het van groot belang is dat beide ouders worden betrokken bij de lopende (en eventuele toekomstige) hulpverleningstrajecten voor [de minderjarige] . Alleen op die manier kunnen de hulpverleners een zo volledig mogelijk beeld van [de minderjarige] krijgen en kunnen zij, samen met de ouders, een gezamenlijke en coherente aanpak creëren voor en toepassen op de problematiek van [de minderjarige] . Op dit moment zijn de hulpverleners niet gehouden om de vader te betrekken bij de hulpverlening, omdat hij niet het gezag heeft over [de minderjarige] en kennelijk doen de hulpverleners dit ook niet ondanks dat de moeder het hen heeft verzocht. Mede gelet hierop acht de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat ook de vader wordt belast met het gezag over haar. Nu de ouders door middel van de Gezinsvertegenwoordiger zullen werken aan verbetering van de onderlinge communicatie en het ontwikkelen van een gedeelde visie op het ouderschap, ziet de rechtbank op dit moment geen gerechtvaardigde reden om aan te nemen dat [de minderjarige] door het toewijzen van gezamenlijk gezag klem of verloren zal raken tussen de ouders. Omdat er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding bestaat om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag, zal de rechtbank het verzoek van de vader toewijzen.
Zorgregeling
Omdat de ouders voortaan gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] zullen uitoefenen, zal de rechtbank in het vervolg spreken over een zorgregeling in plaats van een omgangsregeling.
Wettelijk kader
In artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.
Inhoudelijke beoordeling
De vader wenst de voorlopige zorgregeling uit te breiden met een opbouwregeling waarbij [de minderjarige] tijd zal doorbrengen bij de vader thuis, om uiteindelijk toe te werken naar een regeling waarbij [de minderjarige] om het weekend en in de kerst- en zomervakantie een week bij de vader verblijft. De moeder wil eerst de hulpverlening afwachten en pas daarna afspraken maken over het uitbreiden van de zorgregeling.
Ten aanzien van de zorgregeling merkt de Raad op dat het belangrijk is dat [de minderjarige] ook tijd met haar vader kan doorbrengen in zijn huiselijke omgeving en zonder de aanwezigheid van een begeleider. Op de zitting is met de ouders besproken welke mogelijkheden zij zien in het uitbreiden van de zorgregeling en is de zitting geschorst om de ouders in de gelegenheid te stellen daar samen afspraken over te maken. De ouders zijn overeengekomen dat [de minderjarige] met directe ingang voorlopig iedere zondag bij de vader thuis zal zijn. De moeder brengt [de minderjarige] om 10.00 uur naar de woning van de vader in Hilversum en de vader brengt [de minderjarige] om 15.00 uur terug naar een door ouders onderling af te spreken plek in Den Haag. Voor het overige vragen de ouders de rechtbank een opbouwregeling vast te stellen. Op dit verzoek beslist de rechtbank als volgt. De rechtbank acht het positief dat ouders zijn overeengekomen dat het contact onbegeleid kan worden voortgezet en dat de contactmomenten bij de vader thuis kunnen plaatsvinden. Wel dient de zorgregeling verder te worden uitgebreid waarbij [de minderjarige] bij de vader thuis overnacht. Voor [de minderjarige] is het belangrijk dat zij ook bij de vader thuis zal meedraaien in het normale huiselijke patroon van avondeten, bed- en badritueel. Alleen op die manier kan zij een gezonde verstandhouding met haar vader opbouwen wat voor haar ontwikkeling naar volwassenheid van belang is. Een opbouwperiode van vier maanden (gerekend vanaf de zitting) is reëel om toe te werken tot een weekendregeling van eens in de twee weken. De rechtbank zal een opbouw in drie perioden vaststellen waarbij de eerste periode de zorgregeling wordt uitgebreid tot na het avondeten en in de Kerstvakantie wordt gestart met een overnachting. De rechtbank vindt het van belang dat de vader ook participeert in vrijetijdsactiviteiten van [de minderjarige] en zal daarom bepalen dat de vader haar gedurende een korte periode van ballet en/of zwemles haalt. Voor zover er die dagen geen activiteiten zijn, zal moeder [de minderjarige] bij de vader brengen om 10 uur op zaterdag in de ochtend. In de 3e periode zal de regeling worden uitgebreid met de vrijdag na school en voor zover er geen school is, wordt [de minderjarige] om15 uur naar de vader gebracht.
De rechtbank bepaalt dat de zorgregeling die de ouders op de zitting zijn overeengekomen zal gelden tot en met 14 december 2025. Daarna zal de zorgregeling als volgt worden opgebouwd:
  • Op de zondagen 21 december en 28 december 2025 brengt de moeder [de minderjarige] om 10.00 uur naar de woning van de vader. De vader brengt [de minderjarige] om 20.00 uur terug naar een door de ouders onderling te bepalen locatie.
  • Vanaf zaterdag 3 januari 2026 tot en met zondag 1 maart 2026 haalt de vader [de minderjarige] om de week op zaterdag op van ballet- of zwemles en brengt hij haar op zondag om 19.00 uur terug naar een door de ouders onderling te bepalen locatie. [de minderjarige] is dan in het weekend van 3 en 4 januari, 17 en 18 januari, 31 januari en 1 februari, 14 en 15 februari 2026, 28 februari en 1 maart bij de vader. In het geval er geen ballet- of zwemles is brengt de moeder [de minderjarige] om 10 uur naar de vader.
  • Vanaf vrijdag 13 maart 2026 brengt de moeder [de minderjarige] om de week op vrijdag na afloop van school en in het geval er geen school is om 15 uur naar de vader en brengt de vader [de minderjarige] op zondag om 19.00 uur terug naar een door de ouders onderling te bepalen locatie.
Vanaf 2026 zal [de minderjarige] bovendien bij de vader zijn gedurende een week in de zomervakantie en een week in de kerstvakantie, waarbij de ouders in onderling overleg bepalen welke weken dit zullen zijn.
Informatie- en consultatieregeling
Zowel de moeder als de vader hebben verzocht om een informatie- en consultatieregeling vast te stellen in het geval de rechtbank het verzoek van de vader om hem met het gezamenlijk gezag te belasten zou afwijzen. Nu de rechtbank het verzoek om gezamenlijk gezag zal toewijzen, ziet de rechtbank geen aanleiding om een dergelijke regeling vast te stellen.

Beslissing

De rechtbank – in zoverre met wijziging van de beschikking van 27 juni 2025 – :
*
bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] ;
*
stelt de volgende (opbouwende) zorgregeling vast tussen [de minderjarige] en de vader:
  • de door ouders onderling overeengekomen voorlopige zorgregeling, waarbij de moeder [de minderjarige] wekelijks op zondag om 10.00 uur naar de woning van de vader brengt en de vader [de minderjarige] om 15.00 uur terugbrengt naar een door de ouders onderling te bepalen locatie, zal gelden
  • op de zondagen 21 en 28 december 2025brengt de moeder [de minderjarige] om 10.00 uur naar de woning van de vader. De vader brengt [de minderjarige] diezelfde dagen om 20.00 uur terug naar een door de ouders onderling te bepalen locatie;
  • vanaf 3 januari 2026 tot en met 1 maart 2026haalt de vader [de minderjarige] om de week op zaterdag op van ballet- of zwemles en brengt hij haar op zondag om 19.00 uur terug naar een door de ouders onderling te bepalen locatie; in het geval er geen ballet of zwemles is dan brengt de moeder [de minderjarige] om 10 uur naar de vader;
  • vanaf vrijdag 13 maart 2026brengt de moeder [de minderjarige] om de week op vrijdag na afloop van school – en in het geval er geen school is om 15:00 uur – naar de vader en brengt de vader [de minderjarige] op zondag om 19.00 uur terug naar een door de ouders onderling te bepalen locatie;
*
bepaalt dat [de minderjarige] met ingang van 2026 bij de vader zal zijn gedurende een week in de zomervakantie en een week in de kerstvakantie, waarbij de ouders in onderling overleg bepalen welke weken dit zullen zijn;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader] (de vader),
wonende te [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
en
[de moeder] (de moeder),
wonende op een geheim adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject de Gezinsvertegenwoordiger en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M Boone, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 november 2025.