ECLI:NL:RBDHA:2025:25302

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
27 december 2025
Zaaknummer
C/09/694406 / FA RK 25-8501
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie op basis van de Wet zorg en dwang

Op 26 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in een zaak betreffende een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie, op verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Het verzoek was ingediend voor de cliënt, geboren in 1949, die lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten dementie. De rechtbank heeft vastgesteld dat de thuissituatie onhoudbaar was, wat leidde tot een crisissituatie. Cliënt herkende haar echtgenoot op sommige momenten niet meer, wat resulteerde in bedreigingen en vluchtpogingen. De echtgenoot heeft aangegeven dat hij voor zijn vrouw kan zorgen, maar de rechtbank oordeelde dat de opname noodzakelijk was om ernstig nadeel te voorkomen. De rechtbank verleende de machtiging voor de duur van zes maanden, tot en met 26 mei 2026. De beschikking is gegeven door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, rechter, en is uitgesproken ter openbare zitting. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/694406 / FA RK 25-8501
Datum beschikking: 26 november 2025

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf

Beschikkingnaar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[naam 1],
hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum] 1949 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
thans verblijvende in de [zorginstelling 1], te [plaats],
advocaat: mr. J.J. van Kuijk te Den Haag.

Procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 11 november 2025.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 12 juni 2025;
- een aanvraag voor een rechterlijke machtiging aan het CIZ van 7 november 2025;
- een op 6 november 2025 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, [naam 2], die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling betrokken was;
- een zorgplan van 7 november 2025.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 26 november 2025. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door haar advocaat;
- de specialist ouderengeneeskunde, mevrouw [naam 3];
- de echtgenoot van cliënt, de heer [naam 4];
- de zoon, de heer [naam 5];
- de schoondochter, mevrouw [naam 6].

Standpunten ter zitting

Door cliënt is naar voren gebracht dat er niets aan de hand is en dat haar geheugen intact is. Zij stelt geen hulp of begeleiding nodig te hebben en geen ongebruikelijk gedrag te vertonen.
De advocaat pleit namens cliënt voor afwijzing van het verzoek. Cliënt erkent dat zij soms dingen vergeet, maar geeft aan samen met haar echtgenoot thuis te kunnen functioneren. Zij stelt de bedreiging met een mes niet te erkennen. Daarnaast betwist zij het bestaan van het ernstig nadeel en geeft aan dat, indien dit aanwezig is, een minder ingrijpend alternatief beschikbaar is. De echtgenoot is bereid en in staat om voor haar te zorgen. Daarbij stemmen cliënt en haar echtgenoot in met thuiszorg, met de voorwaarde dat dezelfde zorgverleners van [zorginstantie] op vaste tijdstippen komen, aangezien wisselende zorgverleners en tijdstippen problemen veroorzaken.
De specialist ouderengeneeskunde geeft aan dat het op de afdeling goed gaat met cliënt. Cliënt is grotendeels van de dag gespannen, maar heeft het naar haar zin en maakt het gezellig met de andere bewoners. Tijdens de opname is waargenomen dat cliënt 24-uurs zorg, toezicht en ondersteuning nodig heeft. Thuiszorg kan in de praktijk niet garanderen dat dezelfde zorgverleners continu bij cliënt en haar echtgenoot aanwezig zijn. Ook kunnen de avonduren, waarin cliënt haar echtgenoot niet herkent, niet adequaat door de thuiszorg worden verzorgd. Geen enkele thuiszorgorganisatie kan dit volledig waarborgen, waardoor het onveilig en onverantwoord wordt geacht om de zorg in een thuissituatie voort te zetten.
De echtgenoot van cliënt heeft naar voren gebracht dat hij het niet eens is met de opname van zijn echtgenote. Hij geeft aan dat zijn echtgenote eerder was opgenomen bij [zorginstelling 2], waar zij volgens hem niet op een juiste plek verbleef, waarna hij haar daar heeft weggehaald. Volgens de echtgenoot kwam de thuiszorg op willekeurige tijdstippen en vond hij de geboden zorg niet passend. Hij stelt dat hij zelf voor zijn echtgenote kan zorgen en slechts beperkte hulp wenst te ontvangen. De echtgenoot heeft de thuiszorg beëindigd, aangezien deze niet voldeed aan de door hem gestelde voorwaarde. Tevens benadrukt hij dat de beweringen niet kloppen over zijn echtgenote dat zij zich op een spoorlijn of op een brug bevond. De echtgenoot geeft aan zich boos en machteloos te voelen.
De zoon en schoondochter hebben verklaard het toestandsbeeld, zoals weergegeven in de medische verklaring en door de arts ter zitting is geschetst, te herkennen.

Beoordeling

Op 1 oktober 2025 is door de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend tot en met 12 november 2025.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten dementie.
Deze psychogeriatrische aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit ernstig nadeel bestaat uit:
- levensgevaar;
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang.
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, blijkt dat de thuissituatie onhoudbaar was, waardoor een crisissituatie is ontstaan. Cliënt herkent haar echtgenoot op sommige momenten niet meer, wat heeft geleid tot bedreiging met een mes uit angst en vluchtpogingen heeft ondernomen. Vervolgens heeft de echtgenoot cliënt in huis opgesloten, waarna zij op deuren heeft gebonkt en langdurig om hulp heeft geroepen. De voornoemde omstandigheden brengen de veiligheid van zowel cliënt als haar echtgenoot in gevaar en vormen een ernstig risico op lichamelijk letsel. Het mantelzorgsysteem komt hierdoor onder grote druk te staan. Tevens bestaan er zorgen over de cognitie van de echtgenoot en de overbelasting van de zoon.
De opname en het verblijf in een accommodatie zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen de opname en het verblijf in een accommodatie. Cliënt ervaart het verpleeghuis als prettig, maar geeft aan bij voorkeur terug naar huis te willen, bij haar echtgenoot. Cliënt houdt regelmatig hulp van zich af en weigert in het verpleeghuis de dagelijkse ADL-ondersteuning. Zowel cliënt als haar echtgenoot kunnen geagiteerd reageren wanneer de voortzetting van het verblijf ter sprake komt. Beiden verzetten zich tegen het verblijf en stellen dat zij de zorg in de thuissituatie zelf kunnen voortzetten. Cliënt onderneemt echter geen fysieke pogingen om het verpleeghuis te verlaten.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de duur van zes maanden.

Beslissing

De rechtbank:
verleent een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie ten aanzien van:
[naam 1],
geboren op [geboortedatum] 1949 te [geboorteplaats],
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 26 mei 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, rechter, bijgestaan door L. Batenburg als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 november 2025.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 5 december.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.