ECLI:NL:RBDHA:2025:25300

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
27 december 2025
Zaaknummer
C/09/692549 / FA RK 25-7482
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor reis met minderjarige kinderen en voorlopige zorgregeling

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 26 november 2025 een beschikking gegeven in een geschil tussen een moeder en een vader over de zorgregeling en vervangende toestemming voor een vakantie met hun minderjarige kinderen. De moeder verzocht om toestemming om met de kinderen naar Colombia te reizen, terwijl de vader bezwaar maakte vanwege de leerplicht van de kinderen en zijn vrees dat de moeder niet zou terugkeren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de kinderen hun Colombiaanse familie willen leren kennen en dat dit mogelijk de laatste kans is om hun grootmoeder en overgrootmoeder te ontmoeten, die ernstig ziek zijn. Na constructieve gesprekken tussen de ouders heeft de vader uiteindelijk zijn toestemming verleend voor de reis, mits deze plaatsvindt tussen 15 december 2025 en 5 januari 2026, zodat de kinderen zo min mogelijk schooldagen missen.

Daarnaast heeft de vader verzocht om een voorlopige zorgregeling, omdat er nog geen vaste jeugdbeschermer was aangewezen en het contact tussen hem en de kinderen nog niet was gerealiseerd. De rechtbank heeft besloten dat de eerste drie contactmomenten onder begeleiding van Humanitas zullen plaatsvinden bij de vader thuis, zodra Humanitas kan starten met de begeleiding. De rechtbank heeft de ouders enkele kaders gegeven voor het opbouwen van contact en verwacht dat zij zich aan de afspraken zullen houden. De rechtbank heeft het verzoek van de vader om een dwangsom aan de moeder af te wijzen, omdat de moeder heeft aangegeven mee te zullen werken aan de begeleide contactmomenten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-7482
Zaaknummer: C/09/692549
Datum beschikking: 26 november 2025

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 3 oktober 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.F. Mandos te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift met producties;
  • het F9-formulier van 17 oktober 2025, met bijlage;
  • het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek.
Op 29 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Spaanse taal;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2017 tot [datum 2] 2022.
- Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] ( [de minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1] , [land] ;
- [de minderjarige 2] ( [de minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats 2] .
- De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.
- De vader heeft de Nederlandse nationaliteit en de moeder heeft de Colombiaanse nationaliteit.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 28 november 2024 is – voor zover hier aan de orde – het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor een reis naar [land] afgewezen en is een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) gelast;
- Bij twee beschikkingen van deze rechtbank van 10 september 2025 zijn – voor zover hier aan de orde – de kinderen onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden (de gecertificeerde instelling) en is bepaald dat het contact tussen de kinderen en de vader voorlopig zal plaatsvinden onder regie van de jeugdbeschermer. De overige verzoeken aangaande het gezag en de zorgregeling (met dwangsom) zijn pro forma aangehouden tot 1 juli 2026.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt de rechtbank om haar vervangende toestemming te verlenen – die de toestemming van de vader vervangt – om in de periode tussen november 2025 en februari 2026 (dan wel een andere periode) met de kinderen een reis te maken naar [land] voor de duur van vier weken, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens verzoekt de vader de rechtbank een voorlopige omgangsregeling te bepalen en de moeder te gelasten daaraan mee te werken op straffe van een dwangsom.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de voorliggende verzoeken.
Vervangende toestemming vakantie
Wettelijk kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hierover op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de moeder dat zij wil dat de kinderen hun Colombiaanse familie leren kennen en dat dit mogelijk de enige keer is dat de kinderen hun grootmoeder en overgrootmoeder van moederszijde kunnen ontmoeten, omdat zij allebei ernstig ziek zijn.
De vader heeft bezwaar tegen deze reis, omdat de kinderen leerplichtig zijn en met een reis van vier weken school zullen missen. Daarnaast heeft de vader zijn vrees uitgesproken dat de moeder niet zal terugkeren. Daarnaast verwacht de vader dat er binnenkort zal worden gestart met het opbouwen van een zorgregeling, welke opbouw zou worden gefrustreerd door een lange reis.
De rechtbank heeft op de zitting uitvoerig met de ouders gesproken over het verzoek van de moeder, ook in relatie tot het verzoek van de vader dat hierna aan de orde zal komen. De ouders hebben zich constructief opgesteld in het bezien van de mogelijkheden om tot overeenstemming te komen. De ouders hebben afgesproken dat de vader zijn toestemming zal verlenen voor een reis van de kinderen met de moeder naar [land] zodat zij de familie kunnen leren kennen. De vader zal de benodigde formulieren daarvoor ondertekenen, mits de moeder deze reis plant tussen 15 december 2025 en 5 januari 2026. Op deze manier valt de reis grotendeels in de kerstvakantie en missen de kinderen zo min mogelijk schooldagen. Hierbij merkt de rechtbank op dat het aan de moeder is om toestemming van de school te regelen voor het (eventueel) missen van schooldagen door de kinderen. De moeder zal de reisdata doorgeven aan de vader alvorens de vluchten definitief te boeken. De rechtbank verwacht dat beide ouders zich aan deze afspraken zullen houden. Gelet op de overeenstemming die hieromtrent tussen de ouders is bereikt, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.
Zorgregeling en dwangsom
De vader verzoekt de rechtbank om een voorlopige zorgregeling vast te stellen en de moeder te gelasten daaraan mee te werken op straffe van een dwangsom. De vader stelt dat er tot op heden geen vaste jeugdbeschermer is aangewezen en dat de gecertificeerde instelling aangeeft zelf geen omgangsbegeleiding te kunnen faciliteren. Daardoor is het voorlopige contact tussen de vader en de kinderen nog niet tot stand gebracht op de wijze die in de beschikking van 10 september 2025 wordt voorgeschreven, aldus de vader. Om het contact te kunnen laten starten, heeft de vader zelf contact opgenomen met verschillende instanties om begeleid contact te realiseren en heeft hij zich – in overleg met de gecertificeerde instelling – aangemeld bij Humanitas. De vader verwacht dat de begeleiding binnenkort zal kunnen starten.
Het verzoek van de vader is op de zitting uitvoering met de ouders besproken. Uit dit gesprek is de rechtbank gebleken dat ook de moeder contact heeft gehad met Humanitas en dat zij bereid is om mee te werken aan begeleid contact door Humanitas. Zoals de rechtbank bij beschikking van 10 september 2025 heeft bepaald, zal de rechtbank de invulling van de zorgregeling overlaten aan de jeugdbeschermer, die hieraan in overleg met partijen vorm zal geven. Wel acht de rechtbank het van belang dat er vaart komt in het realiseren van contact tussen de vader en de kinderen. Het via het Wilmahuis opgestarte begeleide contact ging goed en zou worden voortgezet bij de vader thuis. Omdat het Wilmahuis is gestopt en er geen alternatieve organisatie is gekomen, is het contact tussen de vader en de kinderen gestopt. Dit is niet in het belang van de kinderen. Er moet stabiliteit in het contact komen en eenmaal gestart contact mag niet worden zomaar worden afgebroken. Omdat er nog geen vaste jeugdbeschermer is aangewezen en de ouders nu proberen om zelf via Humanitas de eerste stappen te zetten naar het opbouwen van contact, zal de rechtbank de ouders hiervoor enkele kaders geven.
Het Wilmahuis hanteerde vijf fases, waarbij fase 1 begeleide omgang in het Wilmahuis, fase 2, gedeeltelijke begeleide omgang in het Wilmahuis, fase 3 begeleide omgang bij de vader thuis, fase 4 gedeeltelijk onbegeleide omgang bij de vader thuis en fase 5 onbegeleide omgang bij de vader thuis betreft. De vader en de kinderen waren toe aan fase 3. De rechtbank is van oordeel dat deze fase het startpunt moet zijn.
In overeenstemming met de beschikking van 10 september 2025 zal de rechtbank bepalen dat de eerste drie contactmomenten onder begeleiding van Humanitas bij de vader thuis zullen plaatsvinden. Deze contactmomenten zullen plaatsvinden zodra Humanitas de begeleiding kan starten. De rechtbank neemt aan dat na deze contactmomenten een jeugdbeschermer zal zijn aangewezen, onder wiens regie vervolgens moet worden toegewerkt naar onbegeleid contact tussen de kinderen en de vader bij de vader thuis. De rechtbank verwacht dat beide ouders hieraan hun medewerking zullen verlenen.
Nu de moeder heeft aangegeven mee te zullen werken aan de door Humanitas begeleide contactmomenten en de ouders zich aan de zorgregeling dienen te houden die onder regie van de jeugdbeschermer, zodra deze is aangewezen, vorm zal krijgen, ziet de rechtbank geen reden om een dwangsom te verbinden aan de nakoming van de voorlopige zorgregeling door de moeder. De rechtbank zal het verzoek van de vader met betrekking tot het opleggen van een dwangsom aan de moeder daarom afwijzen.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 10 september 2025 van deze rechtbank – :
*
verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – om met [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1] , [land] en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats 2] , een reis te maken naar [land] in de periode vanaf 15 december 2025 tot en met 5 januari 2026;
*
stelt bij wijze van
voorlopigezorgregeling vast:
  • dat de eerste drie contactmomenten tussen de vader en [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zullen worden begeleid door Humanitas en zullen plaatsvinden zodra Humanitas kan starten met de begeleiding;
  • dat nadien zal worden toegewerkt naar onbegeleid contact onder regie van de jeugdbeschermer, in overeenstemming met de beschikking van 10 september 2025;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M Boone, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 november 2025.