ECLI:NL:RBDHA:2025:25238

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
26 december 2025
Zaaknummer
C/09/694441 / JE RK 25-1919
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in het kader van jeugdbescherming

Op 25 november 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in de zaak van een minderjarige, geboren in 2010, die onder toezicht staat van de Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd tot 7 december 2026. De ouders van de minderjarige, die belast zijn met het ouderlijk gezag, hebben hun medewerking aan de hulpverlening betuigd en staan achter de verlenging van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de situatie bij de moeder nog niet zodanig is veranderd dat het veilig is voor de minderjarige om thuis te wonen. Er zijn zorgen over de veiligheid van de minderjarige in de huidige situatie, en de kinderrechter heeft benadrukt dat het belangrijk is dat de jeugdbeschermer betrokken blijft. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beschikking is openbaar uitgesproken en op schrift gesteld op 8 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/694441 / JE RK 25-1919
Datum uitspraak: 25 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2].

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 november 2025;
  • het raadsadvies als bedoeld in artikel 1:265j lid 3 van het Burgerlijk Wetboek, van 21 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- [naam 1] als vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
[minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 december 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 7 december 2025.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 december 2024 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 7 december 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek – kort en zakelijk weergegeven – als volgt gemotiveerd.
De ouders werken aan alles mee, staan achter de hulp vanuit [zorginstantie] en achter alle andere hulp die er voor [minderjarige] is vanwege zijn 22Q11 syndroom. De ouders staan ook achter de inzet van de weekendpleegzorg, waar [minderjarige] nog maandelijks graag naar toe gaat.
De ouders hebben hun mediationtraject afgerond en een ouderschaps- en communicatieplan opgesteld met goede afspraken. De jeugdbeschermer ziet ook terug dat de ouders constructief en zonder wrijving met elkaar communiceren en tot oplossingen komen.
De ondertoezichtstelling kan vooralsnog echter niet worden afgesloten omdat [minderjarige] met een machtiging uithuisplaatsing bij een residentiële instelling ([instelling]) woont en er onduidelijkheid bestaat over zijn perspectief. [minderjarige] had gehoopt dat hij weer bij zijn moeder kon gaan wonen, maar dat is op dit moment echt (nog) niet haalbaar. Wel blijft dit een toekomstperspectief dat meegewogen blijft worden door de jeugdbeschermer als de situatie ten goede verandert. Verder staat er met [instelling] een groot overleg gepland om de zorgen over [minderjarige] veiligheid en het voorkomen en aanpakken van de onveilige situaties aldaar te bespreken.
Tijdens de zitting heeft de jeugdbeschermer aangegeven dat het perspectief van [minderjarige] wel thuis bij de moeder ligt, maar dat thuisplaatsing op dit moment door verschillende omstandigheden nog niet mogelijk is. Daarbij is het belangrijk dat thuisplaatsing toekomstbestendig is en dat die beslissing niet te snel genomen wordt om een grote teleurstelling te voorkomen als het niet goed verloopt.

4.De standpunten

4.1.
De vader en de moeder staan achter verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek
(BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
Alle betrokkenen zijn het eens over een verlenging van de ondertoezichtstelling en
machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige]. Ook zijn alle betrokkenen het erover eens dat het toekomstperspectief van [minderjarige] thuis bij de moeder ligt.
Er staat de komende tijd nog veel te gebeuren binnen het gezin van de moeder en veel is nog onduidelijk. Zo zal de partner van de moeder naar verwachting op korte termijn een zware operatie ondergaan en wacht hem daarna een zes maanden lange revalidatie. Daarbij komt dat [naam 2] gaat starten met therapie en dat er een (uiterste) mogelijkheid bestaat dat [naam 3] weer thuis komt wonen. Ook [minderjarige] zelf start op korte termijn met therapie bij [zorginstantie]. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] nodig is dat de jeugdbeschermer betrokken blijft.
De kinderrechter overweegt verder dat het heel belangrijk is dat een thuisplaatsing succesvol zal verlopen en gelet op alle huidige omstandigheden bij de moeder thuis is het daarvoor nu nog te vroeg.
5.3.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling verlengen en de machtiging uithuisplaatsing verlenen voor de duur van een jaar. Hiertoe overweegt de kinderrechter dat op dit moment niet goed is te voorspellen binnen welke termijn de situatie bij de moeder thuis zodanig zal veranderen dat het voor het veilig opgroeien van [minderjarige] niet langer noodzakelijk zal zijn dat hij elders woont, maar de verwachting is reëel dat met de operatie en revalidatie tenminste acht maanden gemoeid zullen zijn. Dit betekent niet dat [minderjarige] de gehele duur van de machtiging uithuisgeplaatst moet blijven, maar zo lang als dat nodig is. De relatie tussen de jeugdbeschermer en de ouders is goed en indien de jeugdbeschermer en de ouders het er over eens zijn dat de opvoedsituatie en de draagkracht van de moeder het toelaten dat [minderjarige] eerder weer thuis komt wonen hoeft van de machtiging uithuisplaatsing niet langer gebruik te worden gemaakt.
De kinderrechter vindt het van groot belang dat bij het in december 2025 geplande overleg met [instelling] aandacht is voor het door [minderjarige] geuite gevoel van onveiligheid en de vraag of en hoe zijn veiligheid daar voldoende kan worden gewaarborgd.
5.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 7 december 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 7 december 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025 door mr. R. van Zeijst- Repelaer van Driel, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van den Born als griffier, en op schrift gesteld op 8 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
2.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.