In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 25 november 2025 een beschikking gegeven inzake de wijziging van voorlopige voorzieningen met betrekking tot kinderalimentatie en de afwijzing van een verzoek om partneralimentatie. De man had verzocht om wijziging van de voorlopige kinderalimentatie, die eerder was vastgesteld op € 678,60 per maand, omdat zijn financiële situatie was veranderd na zijn uitdiensttreding per 1 september 2025. De vrouw voerde verweer en stelde dat de eerdere beschikking niet op onjuiste gegevens was gebaseerd. De rechtbank heeft de draagkracht van beide ouders beoordeeld en vastgesteld dat de behoefte van de minderjarige € 1.410,- per maand bedraagt. Na berekening van de draagkracht van de man en de vrouw, kwam de rechtbank tot de conclusie dat de man een voorlopige kinderalimentatie van € 282,- per maand moet betalen, met ingang van de datum van de beschikking. Het verzoek van de man om voorlopige partneralimentatie werd afgewezen, omdat de rechtbank oordeelde dat de man in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien en geen recht heeft op een bijdrage van de vrouw. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.