ECLI:NL:RBDHA:2025:25193

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
25 december 2025
Zaaknummer
C/09/674290 / FA RK 24-7479
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming tot erkenning en gezag over minderjarige

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 24 november 2025 een beschikking gegeven inzake vervangende toestemming tot erkenning van een minderjarige door de man, die de verwekker is van het kind. De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarige, die niet erkend is. De rechtbank heeft de belangen van de betrokkenen afgewogen en geconcludeerd dat de erkenning geen schade toebrengt aan de moeder of de minderjarige. De man heeft verzocht om erkenning van de minderjarige, wat door de rechtbank is toegewezen. De rechtbank heeft ook de man aangemerkt als vader en de procedure voor gezamenlijk gezag aangehouden tot de erkenning is geregistreerd. De rechtbank heeft een zorgregeling vastgesteld waarbij de minderjarige bij de vader zal zijn, met een overgangsperiode naar een meer reguliere regeling. De bijzondere curator is beëindigd en de rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor verder onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7479
Zaaknummer: C/09/674290
Datum beschikking: 24 november 2025
Vervangende toestemming erkenning, gezag en de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 9 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Ahmadi te Rotterdam.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.Z. Peters te Zoetermeer.

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1] ,

de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. R.A.M. Kamphuis-Jansen van Rosendaal,
advocaat te Leiden,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van 24 december 2024 van de
moeder;
  • het verslag van de bijzondere curator;
  • een F9-formulier van 28 december 2024 van de man;
  • een F9-formulier van 7 februari 2025 van de man;
  • een F9-formulier van 13 februari 2025, met bijlagen, van de moeder;
  • een F9-formulier van 20 oktober 2025, met bijlagen, van de man.
Op 27 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat, de moeder met mr. J.B. Peters, waarnemend voor mr. D.Z. Peters, de bijzondere curator en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben niet samengewoond.
  • De minderjarige is niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarige.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 29 oktober 2024 is mr. Kamphuis-Jansen
van Rosendaal voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de
minderjarige ingevolge artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te
vertegenwoordigen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man strekt ertoe:
primair:
  • een bijzondere curator over de minderjarige te benoemen;
  • hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW te verlenen, zodat hij de minderjarige kan erkennen;
  • te bepalen dat partijen hebben verklaard dat de minderjarige de achternaam van de man zal dragen, zijnde [achternaam 1] of de gecombineerde achternaam van partijen, zijnde [achternaam 2] ;
  • de man mede met de moeder met het gezag over de minderjarige te belasten;
  • een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te setllen in die zin dat de minderjarige bij de man is iedere maandag uit de opvang om 13.00 uur tot woensdag 20.00 uur; waarbij de man de minderjarige ophaalt en terugbrengt;
subsidiair:
- te bepalen dat de moeder eens per maand aan de man informatie dient te verstrekken met betrekking tot gewichtige aangelegenheden omtrent de minderjarige waaronder school, opvang, peuterspeelzaal, lichamelijke en geestelijke ontwikkeling, sport en welzijne en medische informatie, alsmede een drietal foto’s van de minderjarige,
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Op de zitting heeft de man zijn verzoek met betrekking tot de achternaam van de minderjarige ingetrokken.
De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Verder heeft de moeder zelfstandig verzocht:
  • een begeleide omgangsregeling tussen de man en de minderjarige vast te stellen en partijen te verwijzen naar een omgangshuis;
  • een bijzondere curator op grond van artikel 1:250 BW te benoemen;
  • de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten een onderzoek te verrichten
  • de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
De bijzondere curator adviseert het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning toe te wijzen.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning
Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van de minderjarige.
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
De man stelt dat de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige niet schaadt en een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarige daardoor niet in het gedrang komt. De man meent dat erkenning in het belang van de minderjarige is. Niet alleen is de identiteitsontwikkeling van de minderjarige hiermee gediend, maar ook zijn juridische en sociaalpsychologische positie.
Hoewel de moeder in haar verweerschrift en op de zitting heeft verklaard zich ten aanzien van de vervangende toestemming tot erkenning aan het oordeel van de rechtbank te zullen refereren, heeft zij te kennen gegeven dat zij geen toestemming voor de erkenning heeft willen geven omdat zij bang is dat als gevolg van de erkenning van [minderjarige] door de man, de man ook mede met het gezag over [minderjarige] kan worden belast en hij een omgangsregeling kan afdwingen. Verder blijkt uit het verslag van de bijzondere curator dat de moeder ook uit veiligheidsoverwegingen geen toestemming heeft willen geven tot erkenning. Als voorbeelden noemt de moeder dat de man de eerste maanden geen bedje had voor [minderjarige] , verzoeker met [minderjarige] in een auto reed, waarvan de deur defect was waardoor deze openging en de man meerdere keren te laat is geweest om [minderjarige] op te halen.
De bijzondere curator adviseert het verzoek toe te wijzen. De bijzondere curator ziet geen concreet reëel risico op belemmering in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling ten gevolge van de erkenning van de minderjarige door verzoeker. Evenmin is gebleken dat erkenning de relatie van de moeder met de minderjarige zal verstoren of dat erkenning schadelijke gevolgen zal hebben voor de minderjarige. de belangen van de moeder en de minderjarige worden door erkenning niet geschaad.
De rechtbank ziet in de door de moeder aangevoerde argumenten geen grond om de man geen vervangende toestemming tot erkenning te geven. Niet gebleken is van omstandigheden die aan erkenning in de weg zouden moeten staan of dat erkenning niet in het belang van [minderjarige] is. Daar komt bij dat de moeder zich uiteindelijk heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en de bijzondere curator heeft verzocht het verzoek toe te wijzen. De rechtbank zal de man daarom vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] verlenen.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van de minderjarige door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Gezag
De rechtbank zal de man hierna aanmerken als vader, omdat het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning wordt toegewezen.
De rechtbank kan pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning tot stand is gebracht. De vader kan niet eerder dan drie maanden na vandaag de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat de beslissing over de erkenning eerst in kracht van gewijsde dient te zijn gegaan. De rechtbank geeft de vader dan ook een termijn van vijf maanden om de erkenning van [minderjarige] door de vader bij de gemeente te laten registreren. De rechtbank verzoekt de advocaat van de vader om de akte van erkenning aan de rechtbank te sturen. Na ontvangst van de akte van erkenning zal de definitieve beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag worden gegeven. De rechtbank zal de zaak in afwachting van de akte van erkenning pro forma aanhouden tot 1 mei 2026. De rechtbank overweegt dat indien de vader aan het hiervoor bepaalde niet voldoet de zaak met toepassing van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
De rechtbank zal, vooruitlopend op de erkenning, het verzoek om de vader mede met het gezag over [minderjarige] te belasten, beoordelen.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 1:253c, eerste lid, BW, bepaalt dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren, heeft uitgeoefend de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Het verzoek wordt blijkens het tweede lid van dit artikel slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen. Het is de rechtbank gebleken dat de ouders in staat zijn om op een normale manier met elkaar te communiceren over [minderjarige] . [minderjarige] heeft er recht op dat haar beide ouders betrokken zijn bij het nemen van beslissingen over haar. Juist in dit geval, waar er zorgen zijn over [minderjarige] en er hulpverlening is ingeschakeld voor haar, is het van belang dat de vader op een gelijkwaardige manier wordt betrokken en rechtstreeks door de hulpverlening wordt geïnformeerd over het traject dat wordt gevolgd en de resultaten daarvan. De moeder heeft nog aangevoerd dat zij wel heeft geprobeerd de vader te betrekken bij beslissingen over [minderjarige] , maar dat dit niet is gelukt. Dit argument is onvoldoende om de vader niet mede met het gezag te belasten. Kortom, de rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de ouders niet in staat zijn samen het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. De rechtbank zal het verzoek van de vader daarom – nadat de erkenning van [minderjarige] tot stand is gekomen – toewijzen.
Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van het meer subsidiaire verzoek tot vaststelling van een informatieregeling. Dit verzoek zal worden afgewezen.
Regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Nu partijen gezamenlijk belast zullen zijn met het ouderlijk gezag over [minderjarige] , is artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek, respectievelijk het tweede lid onder sub b, van toepassing op het verzoek van de vader. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten de beslissing over de zorgregeling.
De gezinssamenstelling van de ouders is als volgt. Beide ouders hebben een nieuwe partner. De moeder heeft met haar partner nog een kind en de vader heeft met zijn partner ook een kind. Tevens woont het zoontje van de partner van vader, [naam 2] , in het gezin van vader.
Tot juni 2024 heeft er contact tussen de vader en [minderjarige] plaatsgevonden. Eerst onregelmatig, maar gedurende de eerste zes maanden van 2024 elke week van maandag uit de BSO, om 13.00 uur tot woensdag 20.00 uur.
De moeder heeft de omgang in juni 2024 stopgezet omdat [minderjarige] zou zijn betast door (de toen zesjarige) [naam 2] , waarbij [minderjarige] volgens de moeder zou hebben gezegd dat [naam 2] aan haar vagina heeft gelikt als een ijsje. De moeder is hierover in gesprek gegaan met de vader. Hoewel de ouders aanvankelijk op één lijn zaten, heeft de moeder later het gevoel gekregen dat de vader de situatie niet voldoende serieus nam. [minderjarige] is aangemeld voor hulpverlening bij [instantie] . Het traject loopt nog, maar zou zijn stilgelegd in afwachting van de uitkomst van deze procedure. De moeder heeft geen stukken van [instantie] in het geding gebracht. De vader is wel betrokken geweest bij de hulpverlening, maar heeft hiervan geen stukken omdat hij geen gezag heeft over [minderjarige] .
De moeder heeft verklaard dat zij wil dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] onder begeleiding van een omgangshuis zal plaatsvinden. Ook tegen contact tussen de vader en [minderjarige] bij moeder thuis heeft zij geen bezwaar.
De vader wil de omgang met [minderjarige] hervatten. Hij heeft voorgesteld de omgang eerst in het huis van zijn moeder te laten plaatsvinden, zodat [naam 2] niet aanwezig is. De moeder heeft op de zitting verklaard daarvoor open te staan.
De rechtbank overweegt als volgt. Er is geen sprake van dat er zorgen zijn over omgang tussen de vader en [minderjarige] . De rechtbank ziet daarom geen reden voor verwijzing naar een omgangshuis of om de omgang op een andere manier begeleid te laten plaatsvinden. De zorgen van de moeder betreffen het contact tussen [minderjarige] en [naam 2] . Feit is dat [naam 2] onderdeel uitmaakt van het gezin van de vader. Er zal daarom – met ondersteuning van [instantie] – een manier moeten worden gevonden om het contact tussen [minderjarige] en de vader weer bij de vader thuis te laten plaatsvinden, waarbij ook [naam 2] aanwezig is.
De rechtbank zal de volgende zorgregeling vaststellen.
De vader zal [minderjarige] bij zich hebben een dag in de week, in onderling overleg te bepalen. Deze omgang zal eerst plaatsvinden in het huis van oma, vaderszijde. [naam 2] mag niet aanwezig zijn bij deze contacten. De vader moet wel de hele dag beschikbaar zijn voor [minderjarige] . Verder moet er – in samenwerking met [instantie] – toegewerkt worden naar hervatting van de oude regeling waarbij [minderjarige] bij haar vader is van maandag 13.00 uur uit de BSO (of uit school) tot woensdag 20.00 uur. De oude regeling moet zo snel mogelijk hervat worden, maar in ieder geval per 1 april 2026.
Raadsonderzoek en benoeming bijzondere curator
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten, wat op de zitting door de Raad is bevestigd, dan wel een bijzondere curator op grond van 1:250 BW te benoemen. Deze verzoeken worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
*
verleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1988 te [geboorteplaats 2] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 2001 te [geboorteplaats 3] , vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1] ;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
*
bepaalt dat de beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt aangehouden tot
1 mei 2026 pro forma;
*
bepaalt dat de man vóór de genoemde pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen;
*
bepaalt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan;
*
bepaalt dat [minderjarige] bij de vader zal zijn:
- een dag per week, in onderling overleg te bepalen, in het huis van oma vaderszijde,
waarbij in samenwerking met [instantie] zo snel mogelijk toegewerkt wordt naar een zorgregeling waarbij [minderjarige] bij haar vader thuis is en in ieder geval per 1 april 2026:
- van maandag 13.00 uur uit de BSO of van maandag uit school tot woensdag 20.00
uur,
verklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het verzoek tot vaststelling van een informatieregeling, de benoeming van een bijzondere curator op grond van artikel 1:250 BW en het gelasten van een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2025.