In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 24 november 2025 een beschikking gegeven inzake de vervangende toestemming tot erkenning van een minderjarige. De man, die de Nederlandse nationaliteit bezit, heeft verzocht om erkenning van zijn kind, dat in het buitenland woont en waarvan de moeder de Indonesische nationaliteit heeft. De moeder heeft ingestemd met de vervangende toestemming tot erkenning, maar heeft geen verweer gevoerd tegen de verzoeken met betrekking tot gezag en omgang, omdat de minderjarige in het buitenland verblijft. De rechtbank heeft vastgesteld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, omdat de man zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. De rechtbank heeft ook overwogen dat het Indonesische recht niets regelt over vervangende toestemming tot erkenning, waardoor de mogelijkheid voor de man om de minderjarige te erkennen ontbreekt zonder instemming van de moeder. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het in het belang van de minderjarige is dat de familierechtelijke betrekking met de man juridisch wordt erkend. De rechtbank heeft de werkzaamheden van de bijzondere curator beëindigd en het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning toegewezen. De verzoeken met betrekking tot gezag en omgang zijn afgewezen, omdat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft over deze verzoeken, gezien de feitelijke verblijfplaats van de moeder en de minderjarige in het buitenland.