ECLI:NL:RBDHA:2025:25187

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
25 december 2025
Zaaknummer
C/09/669976 / FA RK 24-5318
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming erkenning van een minderjarige met internationale aspecten

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 24 november 2025 een beschikking gegeven inzake de vervangende toestemming tot erkenning van een minderjarige. De man, die de Nederlandse nationaliteit bezit, heeft verzocht om erkenning van zijn kind, dat in het buitenland woont en waarvan de moeder de Indonesische nationaliteit heeft. De moeder heeft ingestemd met de vervangende toestemming tot erkenning, maar heeft geen verweer gevoerd tegen de verzoeken met betrekking tot gezag en omgang, omdat de minderjarige in het buitenland verblijft. De rechtbank heeft vastgesteld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, omdat de man zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. De rechtbank heeft ook overwogen dat het Indonesische recht niets regelt over vervangende toestemming tot erkenning, waardoor de mogelijkheid voor de man om de minderjarige te erkennen ontbreekt zonder instemming van de moeder. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het in het belang van de minderjarige is dat de familierechtelijke betrekking met de man juridisch wordt erkend. De rechtbank heeft de werkzaamheden van de bijzondere curator beëindigd en het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning toegewezen. De verzoeken met betrekking tot gezag en omgang zijn afgewezen, omdat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft over deze verzoeken, gezien de feitelijke verblijfplaats van de moeder en de minderjarige in het buitenland.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-5318
Zaaknummer: C/09/669976
Datum beschikking: 24 november 2025
Vervangende toestemming erkenning, gezag, omgang c.q. regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 19 juli 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.G. de Jong te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende te [land] .

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] ,

de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. M.N.G.H. Brech,
advocaat te ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • het verzoekschrift;
  • het verslag van de bijzondere curator;
  • een F9-formulier van 22 november 2024 met als bijlage een
instemmingsverklaring van de moeder van 20 november 2024;
- een F9-formulier van 16 oktober 2025, van verzoeker.
Op 27 oktober 2025 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoeker met zijn advocaat en de bijzondere curator. De moeder is – hoewel behoorlijk opgeroepen op haar adres in [land] , per e-mail en per advertentie in de Staatscourant van 19 augustus 2025 – niet ter op de zitting verschenen. De man heeft op de zitting verklaard dat hij de moeder wekelijks telefonisch spreekt en dat zij op de hoogte is van de zitting maar om praktische redenen niet naar Nederland kon afreizen om de zitting bij te wonen.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben samengewoond.
  • De minderjarige is niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarige.
  • De man heeft de Nederlandse nationaliteit, de moeder en de minderjarige hebben
de Indonesische nationaliteit.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 2 september 2024 is mr. Brech voornoemd
benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212
van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man – na wijziging – strekt ertoe:
  • hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij de minderjarige kan erkennen;
  • hem mede met de moeder met het gezag over de minderjarige te belasten;
  • te bepalen dat er een omgangs- c.q. regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de minderjarige en de man zal gelden waarbij:
zolang de minderjarige niet in Nederland verblijft:
o de man en de minderjarige videobellen op woensdag en zaterdag om 13.00 uur Nederlandse tijd
wanneer de minderjarige in Nederland verblijft:
o de minderjarige iedere week op woensdag van 12.00 uur of uit school tot 19.00 uur en om de week van zaterdag 11.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man zal zijn,
uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder stemt in met toewijzing van het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning. Met betrekking tot de overige verzoeken heeft de moeder geen verweer gevoerd.
De bijzondere curator adviseert het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning toe te wijzen.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning
Bevoegdheid
Door de omstandigheid dat de moeder en de minderjarige de Indonesische nationaliteit bezitten, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag dient te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt.
Deze vraag kan op grond van het bepaalde in artikel 3 aanhef en onder a. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevestigend worden beantwoord, nu uit de overgelegde stukken is gebleken dat de man zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Toepasselijk recht
In artikel 10:95, eerste lid, BW staat dat, voor zover hier van belang, de vraag of een erkenning familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen een persoon en een kind, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor de erkenning, wordt bepaald door het recht van de staat waarvan die persoon de nationaliteit bezit. Bezit die persoon de nationaliteit van meer dan een staat, dan is bepalend het nationale recht volgens hetwelk de erkenning mogelijk is. Indien volgens het nationale recht van die persoon erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
In artikel 10:95, derde lid, BW staat verder, voor zover hier van belang, dat ongeacht het in lid 1 toepasselijke recht, op de toestemming van de moeder tot erkenning toepasselijk is het recht van de staat waarvan de moeder de nationaliteit bezit. De moeder heeft de Indonesische nationaliteit.
Gebleken is dat het Indonesische recht niets regelt over vervangende toestemming tot erkenning. De rechtbank deelt het standpunt van de bijzondere curator dat daarmee de mogelijkheid voor de man om de minderjarige te erkennen ontbreekt in het geval de moeder niet instemt. Dit maakt dat er sprake is van strijd met de openbare orde als bepaald in artikel 10:6 BW, artikel 7 IVRK en artikel 8 EVRM. De rechtbank zal daarom Nederlands recht toepassen op het verzoek. Daar komt nog bij dat de moeder heeft ingestemd met toewijzing van het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning.
Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van de minderjarige.
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
De man stelt dat er geen omstandigheden zijn die maken dat erkenning door de man van de minderjarige niet in het belang van de minderjarige zou zijn. De man acht het in het belang van de minderjarige dat hij weet wie zijn ouders zijn.
De moeder stemt in met toewijzing van het verzoek.
De bijzondere curator adviseert het verzoek toe te wijzen. Het is belangrijk voor een kind om te weten van wie het afstamt en dat dit gedocumenteerd is. Niet gebleken is dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige bij vervangende toestemming tot erkenning worden geschaad of daardoor een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarige in het gedrang komt.
De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de minderjarige is dat de familierechtelijke betrekking met verzoeker juridisch vastgelegd wordt. Nu de moeder instemt met toewijzing van het verzoek en verder niet is gebleken van omstandigheden die tot afwijzing van het verzoek zouden moeten leiden, wijst de rechtbank het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning toe.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van de minderjarige door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Gezag en omgang
Bevoegdheid
De moeder en de minderjarige wonen in [land] . Volgens de Basisregistratie personen (brp) is de moeder op 22 juli 2024 uitgeschreven uit Nederland. Op de zitting heeft de man verklaard dat de moeder een maand na de geboorte van de minderjarige, die op [geboortedatum 1] 2024 is geboren, naar [land] is vertrokken. De moeder heeft in haar gesprek met de bijzondere curator verklaard dat zij op 16 juli 2024 naar [land] is gegaan. Dit komt overeen met de verklaring van de man.
De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid om van het verzoek kennis te nemen moet worden gegrond op de feitelijke gewone verblijfplaats op het moment van indiening van het verzoekschrift. Uit de verklaringen van de man en de moeder maakt de rechtbank op dat de moeder en de minderjarige in ieder geval voor de datum van indiening van het verzoekschrift op 19 juli 2024 naar [land] waren vertrokken en dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige dus voor de indiening van het onderhavige verzoekschrift was gewijzigd. Anders dan de advocaat van de man op de zitting naar voren heeft gebracht, is de datum van uitschrijving uit de brp bij het beoordelen van de gewone verblijfplaats niet doorslaggevend, bijvoorbeeld omdat een dergelijke wijziging ook later doorgegeven kan worden.
Omdat de feitelijke gewone verblijfplaats van de minderjarige buiten Nederland is en al was vóór aanvang van deze procedure, komt de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toe om te beslissen op de verzoeken van de man over het gezag en de omgang.
De rechtbank overweegt ten overvloede als volgt. De man heeft op de zitting verklaard dat de moeder en de minderjarige hopelijk in de kerstperiode naar Nederland komen en dat de moeder heeft gezegd dat zij mogelijk ook in Nederland wil blijven. De rechtbank geeft de man mee dat hij, op het moment dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige is gewijzigd naar Nederland, een nieuw verzoek met betrekking tot het gezag en de omgang kan indienen bij de Nederlandse rechter.

Beslissing

De rechtbank:
*
verleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1986 te [geboorteplaats 2] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1994 te [geboorteplaats 3] , [land] , vervangt, tot erkenning van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] ;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2025.