ECLI:NL:RBDHA:2025:25155

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
09/238628-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor poging tot zware mishandeling met mes in 's-Gravenhage

Op 24 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die op 2 juni 2025 in 's-Gravenhage een poging tot zware mishandeling heeft gepleegd. De verdachte heeft het slachtoffer vijfmaal met een mes in het bovenbeen en eenmaal in het bovenlichaam gestoken. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen geslaagd beroep op noodweer(exces) is gedaan. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank heeft de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in overweging genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, waarbij het slachtoffer ernstig letsel heeft opgelopen. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met het strafblad van de verdachte en zorgelijke signalen over zijn betrokkenheid bij de handel in verdovende middelen. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten hebben gepresenteerd. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie gedeeltelijk toegewezen en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf die in overeenstemming is met de ernst van het gepleegde feit.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/238628-25
Datum uitspraak: 24 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats 1] ,
BRP-adres: [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. Snoep en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.B. Baumgarten naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 juni 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [de aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met een mes en/of scherp en/of puntig voorwerp in het (boven)been en/of het bovenlichaam van die [de aangever] heeft gestoken en/of een vuistslag tegen het oog, althans het hoofd van de [de aangever] heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 juni 2025 te 's-Gravenhage [de aangever] heeft mishandeld, door meermalen, althans eenmaal met een mes althans een scherp en/of puntig voorwerp in het (boven)been van die [de aangever] te steken en/of die [de aangever] een vuistlag tegen het oog, althans het hoofd te geven.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte ten aanzien van het primair tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat er te weinig informatie bekend is om te kunnen spreken van een poging tot zware mishandeling en voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, met dien verstande dat een vuistslag gegeven is om de dreiging die van de aangever uitging, weg te nemen. De rechtbank begrijpt het betoog aldus dat de raadsman vrijspraak van de verdachte heeft bepleit.
Verder heeft de raadsman namens de verdachte vrijspraak bepleit van het subsidiair tenlastegelegde, met daarbij de kanttekening dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt en dat de verdachte heeft verklaard dat niet alle steekwonden van hem afkomstig zijn.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025180924, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-West, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 96).
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 18 december 2025, voor zover inhoudende:
De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
Ik heb met de aangever geworsteld toen hij in mijn auto zat. Tijdens de worsteling zijn die verwondingen gebeurd.
U vraagt mij of dit betekent dat ik hem vijf keer in zijn bovenbeen heb gestoken. Ja, het klopt dat er vijf keer staat in het dossier. Ik herinner mij dat ik misschien twee of drie keer heb gestoken in zijn bovenbeen.
U zegt mij dat er ook letsel aan het linkeroog wordt gemeld. Dat klopt.
U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik de aangever een vuistslag heb gegeven. Ik heb hem een vuistslag gegeven, maar weet niet of het er één was of meerdere waren. Dit is ook tijdens de worsteling gebeurd.
U zegt mij dat ik zojuist verklaarde dat ik hem vuistslagen heb gegeven en hem heb gestoken. Ja, dat klopt.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [de aangever] , eindigend op -860, opgemaakt op 2 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 11):
Plaats delict: 's-Gravenhage
Pleegdatum: 2 juni 2025
Ik, verbalisant, verklaar het volgende:
Op 2 juni 2025 hoorde ik een persoon die mij opgaf te zijn:
Aangever
Voornamen: [voornamen verdachte]
Achternaam: [de aangever]
Geboortedatum: [geboortedatum 2] 1985
Verklaring
Daarna hebben de jongens mij neergestoken. Dit hebben ze gedaan doormiddel van een stanleymes.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, eindigend op -6, opgemaakt op 2 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 13):
Ik, verbalisant, verklaar het volgende:
Aanvullend gesprek naar aanleiding van aangifte.
In de woonkamer lag [de aangever] in zijn bed. Wij vroegen hem of wij enkele aanvullende vragen mochten stellen naar aanleiding van zijn aangifte van de nacht. Uit ons gesprek bleken de volgende bevindingen:
- [de aangever] verklaarde de verdachten te kennen. De dealers kwamen met een grijze Seat Leon naar de [adres 2] te ’s-Gravenhage. In totaal zaten er drie mannen in de Seat Leon. [de aangever] was naar buiten gegaan en stapte in de Grijze Leon.
Hierop volgend ontstond een vechtpartij, waarbij het slachtoffer ook meerdere keren gestoken was.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, eindigend op -103, opgemaakt op 2 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 15-16):
Op 2 juni 2025, waren wij, verbalisanten, werkzaam bij de politie eenheid Den Haag. Alle straatnamen in onderstaand proces-verbaal zijn in Den Haag.
Aanleiding
Bij deze casus zou iemand gestoken zijn en zou het slachtoffer mogelijk in de woning van de [adres 2] zitten.
Wij zagen hier dat er een persoon op een matras lag. Bij controle in de systemen, zagen wij dat het ging om:
*** [de aangever] , geboren op [geboortedatum 2] 1985 te [geboorteplaats 2] ( [geboorteland] ) ***
Wij vroegen het slachtoffer naar zijn letsel. Wij hoorden en zagen dat hij vijf (5) steekwonden boven zijn rechterknie had. Wij zagen dat hij een (1) steekwond in zijn linkerzij had. Wij zagen dat hij letsel aan zijn linkeroog had.
3.4.
Bewijsoverwegingen
3.4.1.
Voorwaardelijk opzet
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het intreden van dat gevolg heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dat dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
3.4.2.
Bewust aanvaarde aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de aangever, die toen bij hem in de auto zat. Daarbij heeft hij de aangever vijfmaal geraakt in zijn rechter bovenbeen en eenmaal aan de linkerzijde van zijn bovenlichaam. Ook heeft hij de aangever in ieder geval één vuistslag tegen het hoofd gegeven.
Verder stelt de rechtbank vast dat alle steekwonden in het rechter bovenbeen zich dusdanig dicht bij elkaar bevonden, dat het beeld van deze verwondingen niet past bij de toedracht die de verdachte heeft geschetst, waarbij volgens hem een aantal van deze verwondingen door de aangever zelf zouden zijn toegebracht.
De rechtbank overweegt dat het steken met een mes in het bovenlichaam van de aangever (de linkerzij), waar zich vitale organen bevinden, in een kleine auto zoals deze Seat Leon, ten minste zwaar lichamelijk letsel kan opleveren. Voorts overweegt de rechtbank dat de vijf steekwonden in het rechter bovenbeen van de aangever zich zeer dicht bij elkaar en net boven de knie bevonden, terwijl zich daar belangrijke spieren, pezen, zenuw- en bloedbanen bevinden.
Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij de aangever in het leven heeft geroepen.
Ook is de rechtbank van oordeel dat het op deze wijze met een mes steken en de aangever tegen het hoofd slaan, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht waren op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Anders dan de verdediging lijkt te menen, is daarvoor niet vereist dat die kans zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. Daarop strandt het betoog dat het ontbreken van medische informatie over het letsel van het slachtoffer in de weg staat aan bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.
Ten aanzien van de door de verdachte gegeven vuistslag is de rechtbank van oordeel dat deze enkele vuistslag zonder bijkomende omstandigheden niet de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij aangever in het leven heeft geroepen. Dit brengt met zich mee dat er ook geen sprake kan zijn van een bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zou intreden. De rechtbank zal verdachte in zoverre van het primair ten laste gelegde vrijspreken.
3.4.3.
Conclusie
De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen (het steken) in voorwaardelijke zin opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever. Het tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 2 juni 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [de aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met een mes in het (boven)been en het bovenlichaam van die [de aangever] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de verdachte

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewezen verklaarde, met uitzondering van de door de verdachte gegeven vuistslag, strafbaar is, omdat de verdachte afgezien van die gedraging geen geslaagd beroep op noodweer toekomt.
Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte strafbaar is, nu hem evenmin een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Juridisch kader
Als door of namens de verdachte een beroep op noodweer is gedaan, moet de rechtbank (i) de feitelijke grondslag van dat beroep onderzoeken, (ii) beoordelen of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van het verweer is voldaan en (iii) een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer.
Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden.
4.3.2.
Gestelde feitelijke toedracht
Uit de aangifte en verklaring van de aangever volgt dat hij in de auto van de verdachte stapte omdat hij verdovende middelen van hem wilde kopen. Na het betreden van de auto zou de aangever ruzie hebben gekregen met de inzittenden over de betaling, omdat zij vijftig euro wilden ontvangen voor de verdovende middelen en hij maar een tientje had. Als gevolg daarvan zou een vechtpartij zijn ontstaan, waarbij de aangever meermaals werd gestoken.
Daartegenover staat de visie van de verdediging. De verdediging heeft over de feitelijke toedracht aangevoerd dat de aangever, om hem moverende redenen, zijn dealers (waaronder de verdachte) wilde beroven. De verdachte heeft daarover bij zijn tweede verhoor door de politie, in raadkamer en tijdens het onderzoek ter terechtzitting consistent verklaard dat de aangever in zijn auto ging zitten en dat hij een mes bij zich had. Volgens de verdachte richtte de aangever het mes op de tweelingbroer van de verdachte, die eveneens in de auto zat, en probeerde hij hem te steken. Daarbij heeft de aangever zich dreigend uitgelaten tegen de verdachte en de andere inzittenden. Op enig moment is de verdachte uit het voertuig gestapt, is hij naar de zijde van het voertuig gelopen waar de aangever zat en is hij met hem in een worsteling geraakt. Tijdens deze worsteling heeft de verdachte de aangever een vuistslag tegen zijn hoofd gegeven. Hierna heeft hij het mes uit handen van de aangever kunnen bemachtigen en hem, uit angst en adrenaline, meermaals gestoken in zijn bovenbeen en eenmaal in zijn bovenlichaam. Ten slotte heeft de verdachte de aangever uit de auto getrokken en is hij weggereden.
De overige inzittenden van de auto van de verdachte hebben eensluidend aan de verdachte verklaard over de toedracht. Het dossier bevat weliswaar aanwijzingen dat de verdachte zijn verklaring met derden heeft besproken, maar daaruit volgt niet dat hij daarmee heeft getracht hen te beïnvloeden of zijn verklaring daarop heeft aangepast. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat de door getuige Brugman gehoorde kreten ‘laat het mes los’ en ‘trek hem uit de auto’, passen bij zowel de door de verdachte als de aangever gestelde toedracht. Bovendien volgt uit het dossier een aanwijzing dat de aangever mogelijk zelf ook eenmaal één van de inzittenden heeft gestoken met het mes.
De rechtbank laat in het midden met welk motief precies de verdachte in de auto is gestapt. Zij constateert dat het dossier op meerdere punten steun biedt voor de door de verdachte geschetste feitelijke toedracht waarbij de aangever hem en zijn passagiers met een mes heeft bedreigd. De rechtbank acht dit scenario dan ook aannemelijk.
4.3.3.
Noodweer
Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, waartegen hij zich mocht verdedigen. Verder is vereist dat de wijze van verdediging voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er gelet op het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen aanwijzingen voor het bestaan van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van eigen en eens anders lijf, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen, maar is niet aannemelijk geworden dat de situatie zodanig is geweest dat de gedragingen van de verdachte geboden waren door de noodzakelijke verdediging van zichzelf en zijn broer.
Op grond van de onder 3.4.2. en 4.3.2. vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de gekozen gedragingen van de verdachte, voor zover die verder gingen dan een vuistslag tegen het hoofd – als verdedigingsmiddel – niet in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de door de verdachte gegeven vuistslag, gelet op de ernst van de aanranding, wél proportioneel was. Hierna wist de verdachte het mes van de aangever af te pakken, waardoor het directe gevaar voor de verdachte en zijn passagiers reeds was geweken. In de gegeven omstandigheden bestond naar het oordeel van de rechtbank geen noodzaak om de aangever (ook) vijfmaal in zijn bovenbeen en eenmaal in het bovenlichaam te steken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte en zijn passagiers met zijn drieën waren, terwijl de aangever alleen was.
Gelet op het voorgaande slaagt het beroep op noodweer ten aanzien van de het steken met een mes niet.
4.3.4.
Noodweerexces
Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte, indien de rechtbank het beroep op noodweer zou verwerpen, weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging.
In dit verband heeft de raadsman gesteld dat de band tussen tweelingbroers bijzonder is en dat, wanneer de een iets wordt aangedaan, de ander heftiger reageert dan in een situatie waarin deze band niet aanwezig is. Gelet hierop zou de verdachte uit angst en door de adrenaline hebben gereageerd toen de aangever de broer van de verdachte met het mes bedreigde, waardoor hij hem het mes afhandig heeft gemaakt en hem daarmee heeft gestoken om zijn broer te beschermen.
Zoals hiervoor overwogen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een noodweersituatie, maar heeft de verdacht met het meermaals steken met een mes disproportioneel gereageerd. Met hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, is niet aannemelijk geworden dat het meermaals steken met het mes het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Enkel het bestaan van angst en de aanwezigheid van adrenaline, acht de rechtbank hiertoe in de gegeven omstandigheden onvoldoende. De door de raadsman vooronderstelde bijzondere band tussen tweelingbroers, maakt dit niet anders. Aanwijzingen voor een hevige gemoedbeweging zoals voor een geslaagd beroep op noodweerexces vereist, biedt ook het dossier niet. Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.
4.3.5.
Conclusie
Het bewezen verklaarde en de verdachte zijn volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit of de verdachte uitsluiten.

5.De strafoplegging

5.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de verdachte geen gevangenisstraf van langere duur op te leggen dan de tijd die hij reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich op 2 juni 2025 schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van de aangever, die bij hem in de auto zou zijn gaan zitten om verdovende middelen te kopen, maar plotseling een mes trok in de richting van de broer van de verdachte. De verdachte gaf de aangever daarop een vuistslag tegen het hoofd, waarna hij het mes kon afpakken en waardoor het onmiddellijk dreigend gevaar dat van de aangever uitging, was geweken. Evenwel heeft de verdachte de aangever vervolgens eenmaal in zijn bovenlichaam en vijfmaal in zijn rechter bovenbeen gestoken. De aangever heeft daarbij hevig bloedende wonden opgelopen en werd door de verdachte aan zijn lot overgelaten. Het handelen van de verdachte had zwaar lichamelijk en zelfs levensbedreigend letsel kunnen veroorzaken. Hieraan kent de rechtbank zwaarwegende betekenis toe bij haar strafoplegging.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 17 november 2025. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in 2021 is veroordeeld voor een geweldsdelict.
Zorgelijke signalen
In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank verder mee dat uit het dossier zorgelijke signalen volgen dat de verdachte zich bezig zou houden met handel in verdovende middelen.
Strafoplegging
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht de oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
De rechtbank zal – gelet op de met strafoplegging te dienen doelen en gezien de leeftijd van de verdachte – een groter voorwaardelijk strafdeel opleggen dan de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank weegt mee dat de verdachte, nu twintig jaar oud, ter terechtzitting heeft verklaard voornemens te zijn opnieuw aan een opleiding te beginnen. Daargelaten hoe concreet deze intenties zijn, acht de rechtbank van belang dat de verdachte stappen onderneemt om een leven zonder crimineel gedrag op de rit te krijgen. Een langer voorwaardelijk deel kan naar het oordeel van de rechtbank in het geval van de verdachte, gezien ook zijn jonge leeftijd, bijdragen aan speciale preventie.
Mede gelet op het voorgaande en gezien de genoemde zorgelijke signalen en de justitiële documentatie van de verdachte, zal de rechtbank aan het op te leggen voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van drie jaar verbinden.
Alles afwegende zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
Opgeheven bevel tot voorlopige hechtenis
De rechtbank overweegt dat de tijd die de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht langer is dan het onvoorwaardelijk deel van de aan hem op te leggen straf. Gelet hierop heeft de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis reeds bij afzonderlijke beslissing met ingang van 19 december 2025 opgeheven.

6.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

7.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
poging tot zware mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
7 (ZEVEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
4 (VIER) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
drie jarenvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, voorzitter,
mr. G.P. Verbeek, rechter,
mr. J.A. Kramer, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 december 2025.